Er is onlangs een nieuwe trend verrezen:
Men rijmelt bij de wilde beesten af,
ruim een miljoen zit elke avond maf
een lullig versje bij elkaar te pezen.

Kom mensen, laat ons nu eens eerlijk wezen,
dit is geen hobby meer, het is een straf
(er zit maar weinig koren bij het kaf)
voor hen die al die rotzooi moeten lezen.

En bovendien, zo valt alom te vrezen,
staat elke dichter van zichzelve paf
en denkt dat als hij rusten zal in ’t graf
zijn werk nog generaties wordt geprezen.

Dat hoeft geen ene rijmer dus te hopen:
Hij kan zijn bundels nu al niet verkopen

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Luguber traliewerk



Oh, jee, procrustesbed, nu 'n nieuwe zak
de wasdom van de wijn dient te verbloemen
zie 'k hoe je wankel in de steigers staat
te pronken met je euvel etiket.

Wie komt er tot zo'n vondst—een maniak,
die, vol bravoure indachtig 't dichtersvak,
onsierlijk enjamberen op ziet doemen?

Wellicht is 't akelig zo in te zoomen
op wat men naar gebruik slechts dient te roemen,
maar ook je schema is niet adequaat.

Oh, veertienregelige acrobaat,
vier uitgangen en parkerpen paraat
herschrijf ik je: sonnet, als je het redt.

Als je het redt: oh jee, procrustesbed!