Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft





Sinterkloas ik möt bekenn,
mien geleuf in oe been’k kwiet.
Dat zeg ik nich um oe te ploagn,
‘k heb ok niks biej oewn zwartn knecht.

Wat wa besteet - en noe kö’j lachn,
man, brek miej de bek nich los,
’t steet op al dee rooie weempels -
dat is dat witte Tweantse peerd.

Nee, iej hooft miej niks te geavn,
‘k heb biej t hoes a pröttel zat
Doarbiej he’k in mien hille bestoan
van oe zölf nog nooit wat kreegn.

A’j dan toch as oaldn griezn
kadookes smiet in iedern hook,
aans nich as um oew echtheid te bejoan,
doot miej dan mer n riemweurdkeslexicon.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Brullend giert de winternacht



Er was geen plaats voor ons want vol is vol
De mestgeur in de stal was niet te harden
De ezel trok het rolgordijn aan flarden
Een vale os rook loeiend aan zijn hol

We kregen ook nog onverwacht bezoek
Van herders en figuren uit het Oosten
Ze zopen heel de vodkavoorraad op

Het dom gedrocht beviel met veel gevloek
Ik wilde met haar op de kleine proosten
En kreeg een stuk placenta naar mijn kop

Ik was het zat en gaf die trol een hoek
En was intussen een der moedeloosten
In heel dat rotgehucht. Ik zocht een strop

Ik zocht een strop. Er was geen plaats voor ons