(Caspar David Friedrich, 1835, Herfst)

Hoge bomen aan het water
neigen zwijgend in de wind.

Donk're bossen, wijdse heiden,
liggen stiller, zonder zon.

Regen veegt verstoorde sporen
van de langbegane laan.

Stormen vormen kwade dagen,
kraaien waaien uit hun huid.

Oude houten kromgetrokken
struiken buigen tot de grond.

Grijze zwijnen, samengaande,
zoeken voedsel als het kan.

Op de grond, de vele beestjes
zijn verscheiden, afgemat.

Witte vissen onder golven,
in de kilte trager gaand.

Buiten luiden gakgezangen,
tomen vogels trekken weg.

Langverwachte keuren kleuren
maken blaad'ren wondermooi.

Voel de koelte van de nachten,
binnen is het heerlijk weer.

Lekker herfstig zijn de tijden,
witte winter gonst z'n komst.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Jacht

damhert
WikiMediaCommons
 
Natuurlijk moet ik vrijuit kunnen jagen
Op ree, konijn, patrijs, en everzwijn
Dat is de bonus voor het Koning zijn
Het maakt dat ik die zware last kan dragen
 
Drie maanden is het onbeperkt genieten
De tintelende ochtend, herfst in kleur
Een damhert snuift, krijgt lucht van onze geur
Dan is het zaak hem snel kapot te schieten
 
Hij wankelt en zijgt langzaam naar de grond
De laatste ademtocht, de damp, het hijgen
Ook opa kon er geen genoeg van krijgen
Ik geef een kort bevel aan onze hond
 
Daar kun je al dat volk niet bij gebruiken
Die wandelen maar in een ander bos
Want na de vijftiende gaat het hier los
Ik zie al iets bewegen in de struiken
 
En voor de watjes die ook hier weer tegen zijn
Een dikke vinger, want het is het KroondoMIJN!