Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft





Noach had voor vele dagen
En voor iedereen aan boord
Bergen voedsel ingeslagen
Respecterende Gods woord

Gras voor herten en voor geiten
En voor koeien uiteraard
Niemand kon hem iets verwijten
Want er was zelfs hooi voor’t paard

En de vleesetende dieren?
Daarvoor was aan boord ook zat
Dus de leeuwen, slangen, gieren
Kregen wat elk nodig had

Koeien, geiten, herten, apen,
Paarden ook, God zij geloofd
Varkens, buffels, en ook schapen
Stierven allen onverdoofd

Toen de ark van Noach landde
Was de wereld schoon en droog
Drinkbaar (! ) water, ruim voorhanden
Noachs dank steeg hemelhoog

Vrijgemaakt van alle lijken
Oogstklaar stond het blinkend graan
Noach stond ervan te kijken
Dat had God maar mooi gedaan

Wacht ook u een watersnood
Doe als Noach, maak een boot.

 

 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Schoonheid (Baudelaire)



De schoonheid

Ik ben mooi, en voor mensen een droom van albast,
en mijn borst, waaraan ieder zich steeds weer bezeert,
is gemaakt met als doel dat hij dichters sommeert
tot een liefde die zwijgend is, tijdloos en vast.

Waar ik troon als een sfinx in het hoge azuur
is mijn hart als van sneeuw, ben ik wit als een zwaan.
Ik verfoei het dat lijnen teloor kunnen gaan,
dus ik lach noch ik huil, en ben nooit overstuur.

Aan de voet van mijn rijzige marmerstatuur,
die immuun is voor zonlicht, voor striemende wind,
tuurt mijn meute van minnaars omhoog, uur na uur,

naar de glans van mijn ogen, het spiegelend paar,
waar ze zoekt, in een roes die hen allen verbindt,
naar een glimp van wat schoon is, onzegbaar en klaar.



xxxxx

La beauté

Je suis belle, ô mortels! comme un rêve de pierre,
Et mon sein, où chacun s'est meurtri tour à tour,
Est fait pour inspirer au poète un amour
Eternel et muet ainsi que la matière.

Je trône dans l'azur comme un sphinx incompris;
J'unis un coeur de neige à la blancheur des cygnes;
Je hais le mouvement qui déplace les lignes,
Et jamais je ne pleure et jamais je ne ris.

Les poètes, devant mes grandes attitudes,
Que j'ai l'air d'emprunter aux plus fiers monuments,
Consumeront leurs jours en d'austères études;

Car j'ai, pour fasciner ces dociles amants,
De purs miroirs qui font toutes choses plus belles:
Mes yeux, mes larges yeux aux clartés éternelles!