Sonnet 29

When, in disgrace with Fortune and men's eyes,

I all alone beweep my outcast state

And trouble deaf heaven with my bootless cries

And look upon my self and curse my fate,


Wishing me like to one more rich in hope,

Featured like him, like him with friends possessed,

Desiring this man's art, and that man's scope,

With what I most enjoy contented least,


Yet in these thoughts myself almost despising,

Haply I think on thee, and then my state,

Like to the lark at break of day arising

From sullen earth sings hymns at heaven's gate.


For thy sweet love remembered such wealth brings

That then I scorn to change my state with kings.

*

Lig ik in tranen hier voor Neerlands volk
En lazer van mijn rotspiek met een boog
Dan schreeuw ik mijn ellende huizenhoog
En weet: ik viel weer in mijn eigen dolk

Ik zou in grote rijkdom kunnen leven
Met vrienden alle uren om mij heen
Van wie ik schoonheid, macht en status leen
De luchtbel knapt, het mooiste duurt maar even

Ik zwelg zo nog wat door in oud chagrijn
Dan teken jij een glimlach op mijn kaken
Terwijl daarbuiten vogels hooglied maken
En psalmen fluitend in de glorie zijn

Ik droom jouw kleine hoofd tegen mijn borst
Geen cent en toch gelukkig als een vorst  

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Thee (bout rimé)

carlspitzweg
Carl Spitzweg: The poor poet (1839) 
 
Het is het seizoen van de pijnlijke kelen
Aan hoest en aan hoofdpijn heb ik geen gebrek!
Mijn kop staat op barsten dat kan ik niet velen
Mijn neus is gezwollen en doorlopend lek
 
De kans op een spoedig herstel lijkt maar klein.
Wat ik dus mijn baas node mee heb te delen
Is dat ik vandaag niet aanwezig zal zijn.
het is een vacant tussen alle burelen
 
Ik blijf in m’n bed dat bevalt me zeer goed,
Al lig ik dan wel naar een borrel te snakken
Maar wat ik nog liever heb is een glas wijn.
 
Men schenkt mij een glas maar daarin zit azijn
Ik word hier verzorgd door een groep maniakken.
Wat lijdt een ziek mens door dat addergebroed.
 
 
Thee ( het origineel )
 
O, drabbig plantensap in zwakke kelen,
hoe smerig is uw dampende gebrek!
Gij zijt het ranzig lijkvocht dat bij velen
het lijf verzwakt eer 't weer naar buiten lekt
 
als lauwe pis. 't Verschil is meestal klein.
En ik drink liever 't sap uit mijne delen
dan dat ik u mijn lavende laat zijn.
Gij heksendrank! Verderver van burelen!
 
Alleen voor dorre zieken zijt gij goed,
die hijgend naar hun koude doodskleed snakken
en u drinken als ooit Socrates zijn wijn.
 
Voor mij blijft gij de duivelse azijn
die ge altijd was. Het bocht van maniakken.
De moedermelk voor veil addergebroed.
 
© Balthasar van Stavelnaere