Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent



Door Godsgeloof en onderdanigheid
Was Kniertje tot het allerergst bereid
Wie geeft haar laatste kind nou aan de zee
Zelf had ze geen benul van klassenstrijd

Ze douwde hem nog zilver in z’n oren
Maar Barend wilde van geen zeereis horen
Hij wou niet met de Hoop van Zegen mee
De bangerd had zijn leven al verloren

De storm sloeg half de haven naar de donder
Het dorp bad stil en hoopte op een wonder
Een lijk spoelt aan: de vis wordt duur betaald
De Hoop van Zegen werd tot wrakke vlonder

De reder die zijn centen zat te tellen
Werd mens door met de waterschout te bellen
De vissersvloot ging naar de ratsmodee
Daar had het dorp nog heel wat mee te stellen

Wie geeft haar laatste kind nou aan de zee
Hij wou niet met de Hoop van Zegen mee
Een lijk spoelt aan: de vis wordt duur betaald
De vissersvloot ging naar de ratsmodee

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Onuitgesproken

Ik wacht tot mijn vriendin weer bij mij op de stoep zal staan
Het was nog middag toen wij zwijgend in de kamer stonden
Ik lig in bed, ik lees een strip, mijn leeslamp die staat aan
Ik tel al sinds het twaalf uur is geworden de seconden
Ze vroeg me, is er iets, ik zei, wat zou er moeten zijn dan?
en hoopte dat zij zeggen zou wat ik niet had gezegd
Ze lachte en ik lachte terug, daar had het alle schijn van,
Ze wierp me nog een handkus toe, ik dacht: ze meent het echt

Ze duwt me van zich af wanneer de wereld aan haar trekt
en houdt me vast zodra diezelfde wereld haar laat vallen
Ik doe precies hetzelfde, alles aan ons huisje lekt
Een lijden lijd je nooit alleen, je deelt het met z'n allen

Ze heeft me net gebeld, ze neemt vannacht de laatste trein
Ik antwoord alsof ik gezond heb tussen zonnebloemen
Mijn god, wat ga ik ver om niet alleen te hoeven zijn,
Of is dat wat de mensen, als het goed gaat, liefde noemen?
Nee, liefde is een dier, onzichtbaar groeiend langs een meetlat,
En pas als het volgroeid is toont het zich als leeuw of schaap
We moeten praten, zou ik moeten zeggen, maar ik weet dat
als zij in bed kruipt en me kust, ik doe alsof ik slaap

Koop koop koop