Vermoeid vlij ik mij neder op een zachte alpenwei
Ik voel mijn lijf bedaren en verzink in dromerij
Een wijfjesrund treedt nader en zij fluistert in mijn oor:
‘Och heer neem nog een wijle rust, dra zingt het schaapjeskoor’
Het alpenblauwtje op de bok heeft zonneklaar gezag
Zij dirigeert het bergorkest met klare vleugelslag
Daar hoor ik nu warempel een duet van ram en ooi
Wat zijn die beide zoetgevooisd, mijn god wat is dat mooi
Het fluiten van de bergmarmot klinkt wonderbaarlijk schoon
De gems zeult met de alpenhoorn maar produceert geen toon
Dan galmt het koene krassen van de jonge alpenkauw
De steenbok slaat de koebel maar hij neemt het niet zo nauw
De dijenkletser van de lynx komt niet goed tot zijn recht
De moeflon jodelt ook een lied en doet dat lang niet slecht
De alpensalamander zwiept zijn staart wat heen en weer
Hoe anders dan de edelweiss, haar kop deint op en neer
Dan stopt ineens de zang en dans en zwijgt elk instrument
Er staat iets te gebeuren en ik kom wat overend
De dieren kijken vol verwachting naar het rotsplateau
Daar treden jonge schapen aan, een wemelwit tableau
Het Lucia di Lammerkoor is wijd en zijd bekend
Hun a capellarepertoire geldt thans als jongste trend
Vooral het Agnus Dei wordt zo prachtig uitgevoerd
Die wonderschone samenzang laat niemand onberoerd
Ook ik moet even slikken en ik luister ademloos
De koorzang is betoverend, zo zuiver en zo broos
In al mijn levensdagen viel mij nooit zoiets ten deel
Dat ik dit toch ervaren mag, dit sprookjestafereel
Een hoef stoot mij heel zachtjes aan: ‘Meneer, het is voorbij’
Onwillig maak ik mij nu los uit deze ‘sans pareil’
Ik strik mijn veters maar weer vast en gord mijn rugzak om
En trek – veel rijker – verder naar een nieuwe alpenkom