Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

Welkom, Gasten
Gebruikersnaam: Wachtwoord: Onthoud mij

Onderwerp: Tegenvaller

Tegenvaller 22 sept 2020 10:02 #1

  • Wim Meyles
  • Wim Meyles's Profielfoto
  • Offline
  • Forumgod
  • taalhumorist
  • Berichten: 1252
  • Ontvangen bedankjes 1581

commons.wikimedia.org

Tegenvaller

Wat is de stilste plek van Nederland?
Gekozen werd de Dwingeloose hei,
geen discofeestgedruis en autovrij,
perfect voor rust- en ruimterecreant.

De jonge Bernhard is teleurgesteld,
‘Circuit van Zandvoort’ had hij aangemeld.

Formule 1 races zitten er voorlopig nog niet in voor Zandvoort ....

Distichon aangepast. Was:

Prins Bernhard junior teleurgesteld.
Hij had ‘ t circuit van Zandvoort aangemeld.

Met dank aan monnhauser.
www.wimmeyles.nl

Nieuwste boek: Ietsnut
Laatst bewerkt: 22 sept 2020 13:08 door Wim Meyles.
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.

Tegenvaller 22 sept 2020 10:19 #2

  • monnhauser
  • monnhauser's Profielfoto
  • Offline
  • Regelmatige bezoeker
  • Berichten: 33
  • Ontvangen bedankjes 197
Dag Wim,

wederom een leuk vers, maar de elisie in "had 't" is onmogelijk als één lettergreep voor te dragen / op te lezen. Hier wordt dus een extra lettergreepje de versregel ingesmokkeld. Dat vind ik eerlijk gezegd beneden jouw niveau, als je mij die woordkeus permitteert (het is feitelijk een compliment). Daarnaast lijkt me de heffing op juniOR ook onnodig.
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.

Tegenvaller 22 sept 2020 13:02 #3

  • Wim Meyles
  • Wim Meyles's Profielfoto
  • Offline
  • Forumgod
  • taalhumorist
  • Berichten: 1252
  • Ontvangen bedankjes 1581
Dank je, monnhauser. Je houdt me weer scherp, zelfs op mijn vakantieadres (vlak bij de Dwingeloose hei).
Ik pas het even aan.

Hartelijke groet,
Wim
www.wimmeyles.nl

Nieuwste boek: Ietsnut
Laatst bewerkt: 22 sept 2020 13:22 door Wim Meyles.
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.
Tijd voor maken pagina: 0.118 seconden

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De Warbels



I
Ze gingen naar zee in een zeef, jawel,
in een zeef al naar de zee.
Hun vrienden vonden ’t ondoordacht
maar bij winters weer en bij windkracht acht
gingen zij in een zeef naar zee!
En toen de zeef aan ’t tollen sloeg
en iedereen riep: ‘Nu is ’t genoeg!’    
riepen zij: ‘Goed, groot is hij niet,
maar dat maakt ons geen sikkepit uit, geen biet!
In een zeef gaan wij naar zee!’
     Wie weet waar, wie weet waar
     toch het volk van de Warbels leeft?
     Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
     en ze gingen naar zee in een zeef.
 
 
II
Ze zeilden weg in een zeef, jawel,
in een zeef, heel enthousiast.
Door stormvlagen voortgejaagd, mijl na mijl,
met enkel een grasgroene sjaal als zeil
en een pijp bij wijze van mast.
En iedereen zei, die hen zag gaan:
‘O hemeltjelief, ze gaan eraan!
Want de reis is lang en pikzwart is het zwerk,
zo’n zeefvaart is echt onbegonnen werk,
o hou je hart toch vast!’
     Wie weet waar, wie weet waar
     toch het volk van de Warbels leeft?
     Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
     en ze gingen naar zee in een zeef.
 
 
III
Het water liep gauw erin, jawel,
het water liep gauw erin.
Dus ze vouwden roze vloeipapier
om hun voeten, keurig en zonder kier,
en dat speldden ze vast aan hun kin.
En ze sliepen ’s nachts in een pot van steen,
‘Wat slim hè?’ zeiden ze een voor een.
‘Hoe lang ook de reis en hoe zwart het zwerk,
dat de zeefvaart slecht afloopt dat lijkt ons sterk:
we zwalken hier naar ons zin!’   
     Wie weet waar, wie weet waar
     toch het volk van de Warbels leeft?
     Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
     en ze gingen naar zee in een zeef.
 
 
IV
Ze zeilden voort, de hele nacht,
en toen de zon verdween
toen floten en kweelden ze manezang
en hun gongslagen echoden eindeloos lang 
langs de bruinige bergen heen.
‘O paukepam! Welk aangenaam lot
dat we dankzij die zeef en die stenen pot
hier heel de nacht in de maneschijn
met grasgroen zeil zo aan ’t zeilen zijn,
langs de bruinige bergen heen!’   
     Wie weet waar, wie weet waar
     toch het volk van de Warbels leeft?
     Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
     en ze gingen naar zee in een zeef.
 
 
V
Ze bezeilden de Westerzee, jawel,
naar een land van dicht donker woud.
En ze kochten een kar en een papegaai
en een pondje rijst en een bosbessenvlaai
en een bijenkorf, gonzend goud.
En ze kochten wat groene kauwen, een zwijn
en een aap met vingers van marsepein,
en veertig flessen met Jo-de-Lo
en Edammer, extra oud.
     Wie weet waar, wie weet waar
     toch het volk van de Warbels leeft?
     Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
     en ze gingen naar zee in een zeef.
 
 
VI
En ze keerden weer, na twintig jaar,
na heel die lange tocht.
En iedereen zei: ‘Wat onverwacht!
Ze zijn terug van de Moordkaap, de Gordel van Smacht
en de Jammerdebammerbocht!’
En ze riepen proost en richtten spontaan
een feestbanket van gistknoedels aan.
En iedereen zei: ‘Als ik lang genoeg leef
dan ga ik ook naar zee in een zeef,
naar de Jammerdebammerbocht!’
     Wie weet waar, wie weet waar
     toch het volk van de Warbels leeft?
     Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
     en ze gingen naar zee in een zeef.
 
 
The Jumblies, Edward Lear (1812-1888)