Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

Welkom, Gasten
Gebruikersnaam: Wachtwoord: Onthoud mij

Onderwerp: dit bedankgedichtje vond ik kortgeleden terug

dit bedankgedichtje vond ik kortgeleden terug 10 dec 2015 16:03 #1

  • Kees Putman
  • Kees Putman's Profielfoto
  • Offline
  • Nieuwkomer
  • Berichten: 5
  • Ontvangen bedankjes 9
Aan de verpleegkundigen van de afdeling Urologie

Niemand ligt bij u te zingen: ‘O, wat zijn wij heden blij’,
want uw gasten hebben allen waterkundig averij.
Men ligt vast aan een katheter, als een hondje aan de lijn.
Slechts een masochist zou gaarne lang in zo’n positie zijn.
Als u zo’n urinelijder vrolijk aan het helpen bent,
Wees dan tactvol, zeg nooit monter: ‘’t Is een fluitje van een cent.’

K.P. nov.’99
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.

dit bedankgedichtje vond ik kortgeleden terug 16 dec 2015 22:18 #2

  • Niels Blomberg
  • Niels Blomberg's Profielfoto
  • Offline
  • Forumgod
  • Berichten: 1474
  • Ontvangen bedankjes 725
De regelindeling is opmerkelijk: een achtvoetige trocheus met gepaard rijm.
Meer gangbaar zou zijn een viervoetige trocheus met gebroken rijm. De tekst zit al zo in elkaar, dat de regels in tweeën geknipt kunnen worden zonder dat de tekst eronder lijdt (lees: zonder enjambement)

Ik word erg vrolijk van dit gedicht, zoals ik altijd vrolijk word van de viervoetige trocheus.
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.

dit bedankgedichtje vond ik kortgeleden terug 17 dec 2015 11:54 #3

  • Frits Criens
  • Frits Criens's Profielfoto
  • Offline
  • Forumgod
  • Berichten: 1401
  • Ontvangen bedankjes 738
Dit is een jaloersmakend mooi en vakkundig geschreven gedicht. Wie de maker is, mogen we helaas niet weten. In elk geval is het een geestig en zeer bedreven collega die de taal zo soepel hanteert dat het lijkt alsof hij de zinnen zo uit de mouw schudt.
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.
Tijd voor maken pagina: 0.176 seconden

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Koude basten



Het land doorweekt, de luchten grijs
en menig mens terneergeslagen.
Seizoen van storm en zilte vlagen
van brakke dijken, meeuwgekrijs.

De holle zee, verstoven duinen.
Berooide grond aan lager wal
waar bomen kreunen in verval,
met koude basten, kale kruinen.

Toch hoor je naast de straffe wind
nog vrij van droeve najaarsblues
de klare lach van ‘t blije kind.

En op de beemd -in winterslaap-
verheft zich tussen herfstgebroes
het boud geblaat, van ’t Tessels schaap.