In ’t stadsplantsoen draait hij zijn trage rondjes.
De scootmobielen suizen langs hem heen,
en af en toe gepaardenstaarte blondjes
met strak tricot om afgetrainde kontjes,
maar meestal loopt hij moederziel alleen.
Al kijkt een enkeling dan wat meewarig,
hij ziet het niet, gaat onverdroten door.
De resultaten zijn al heel lang karig,
zijn allersnelste tijd is overjarig,
toch streeft hij elke dag naar een record.
De allerlaatste horde zijn drie trappen.
Daarboven is het lui en aangenaam.
Hij blijft – terwijl hij adem staat te happen –
toch hopen dat er iemand staat te klappen,
maar alles wat er klapt, dat is een raam.
Deze is alweer een paar jaar geleden geschreven voor de Plantage Poëziewedstrijd met als thema “In beweging”. Helaas viel deze niet in de prijzen.
Aanpassing n.a.v. opmerking Monnhauser: In de laatste regel is "het raam" veranderd in "een raam".