Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

 
We hebben al een niet zo best begin
want jij wilt per se trouwen voor de kerk
Ik zit de mis maar uit, met tegenzin
En krab een puistje open op mijn kin
De weeë wierrooklucht is mij te sterk

Dat ik me tot aanwezig zijn beperk
Bezorgt me bij pastoor een extra min
Die doet zijn job als een verveelde klerk
Mijn schuld, noem jij zijn nattevingerwerk
En daar heb ik de pest weer weer over in

De bruidsnacht is een ware troost voor beiden
Want wij besluiten voor de wet te scheiden
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Speciaal voor de Gedichtenweek



De Nimmermerel


Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’

Koop koop koop