Zoals een oude eik, door slagregens en gure
herfststormen ruw gegeseld en meedogenloos
beroofd van zijn dor loof, het zwaar krijgt te verduren -
zijn stramme stam buigt door, zijn wortels breken, broos;
 
hij steunt en kreunt gekweld, zijn kale takken schuren
langs zijn bemoste bast - zo bleef hij nog een poos
manhaftig zich verweren, de held, die van nature
een fiere dood boven een veile vlucht verkoos.
 
Mijn hemel, ik houd op, want dit duurt zo nog ureb -
een kolfje naar de hand van Biderdijk of Kloos!
Alexandrijnen hebben weliswaar allure,
maar lopen bij mij mank, of uit de maat, altoos.
 
Die versvoeten bijvijlen : voor een pedicure
zou het een godmijn zijn, maar ik blijf brodeloos.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Vertalingen



Daar is-ie

Lente laat zijn blauwe lint
zwierig door de luchten zweven;
zoet-vertrouwde geuren geven
kietelend het land een hint.
Maarts viooltje droomt:
binnenkort ontluik ik.
– Hoor, van ver
een wijsje zacht en loom!
   Lente, daar ben jij!
Jou ja! voel en ruik ik.


Hatsjie

Lente laat zijn lauwe wind
grasduinend door velden zweven;
bloesemende bomen geven
kietelend mijn neus een hint.
Maarts viooltje droomt,
wil met hommels dollen.
— Voel alweer
zo’n snot- en tranenstroom!
   Lente, bah, hatsjie!
Jij weer met je pollen.


Er ist’s

Frühling lässt sein blaues Band
wieder flattern durch die Lüfte;
süße, wohlbekannte Düfte
streifen ahnungsvoll das Land.
Veilchen träumen schon,
wollen balde kommen.
– Horch, von fern
ein leiser Harfenton!
   Frühling, ja du bist’s!
Dich hab’ ich vernommen!

Eduard Mörike (1804-1875)