applebottomdef2
Bron: Guus Middag in Onze Taal (september 2020).
Met dank voor de toestemming van Guus Middag en de redactie van Onze Taal om dit artikel hier te mogen plaatsen. 
 
'Die Applebottom' is een van de gedichten in onze bundel Er is light! (Het vrije vers, 2020). Quirien van Haelen, de oprichter van Het vrije vers, schreef het:
 
 
Jantje zag die applebottom
Van die spange spandexho
En hij wou die tanga ballen
Ook al was ze van zijn bro
 
Fokkit, zei hij, want mi brada
Zit toch in die jilla, aight
Hij kan mij nu toch niet met zijn
Pipa poppen, fok die shait
 
Maar ik ben geen backstabtype
Hij dronk aan z'n ginger beer
Effe tjappe, jonko smoken
Dan ik klop me eigen spier
 
Weg ging Jantje, naar die shoppa
Maar die smatje was niet doof
Die zei, fokkit, ik wil bana,
Klaasje zit voor tasjesroof
 
Hij heeft mij gezegd dat ik
Kon doen en laten wat ik wou
En nu wil ik kokkie geven
Boi, ik zuig je ballen blauw
 
Daarop ging ze aan 't schudden
Hoofd naar onder, bil omhoog
Later batsen, badaptaki
Jantje hield het niet lang droog
 
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Gerijmel van een ouder iemand

88px W. H. Auden 1956 press photo
Wikimedia Commons
 
 
Gerijmel van een ouder iemand 
                     voor Robert Lederer
 
Aan ’t eind van wat men ‘sixties’ heet
herken ik amper mijn planeet,
de wereld die me geestkracht gaf –
zo hield ik chaos van me af.
 
De gouden tijd naar mijn idee
is al zo’n zestig jaar gelee,
met badkamers riant, royaal
en bidden voor het avondmaal.
 
Het auto- en het vliegverkeer
is efficiënt hoor, maar niks méér;
machinerie waar ik van droom,
die werkt op waterkracht of stoom.
 
De knop moest om: ik ben gezwicht
voor ’t adequaat elektrisch licht,
al koester ik de trappenhuizen
waarin nog vleermuisbranders suizen.
 
Familiespoken uitgedreven
maar niet hun waarden opgegeven:
dat plichtsbesef van protestanten
heeft praktische en mooie kanten.
 
Thuis zong men samen nog van blad,
’t was schande als je schulden had –
contant betaal ik tot mijn dood:
niks op de pof en nooit in ’t rood.
 
’t Vertrouwde kerkboek, goud op snee,
gaat onderhand drie eeuwen mee.
Een frisse preek is goed en wel,
getorn aan liturgie: een hel.
 
Seks was – en zal dat altijd zijn –
het allerlokkendste geheim,
maar de kiosk was toen nog vrij
van blaadjes vol smeerpijperij.
 
Welsprekendheid was kunst; was norm,
gold als beschaafde omgangsvorm.
Een scheet verdraag ik beter dan
vrij vers of zo’n nouveau roman.
 
Ook blijf ik verre van de school
die dweept met mythe en symbool;
wat ik betracht is: literaat zijn
voor lezers die niet van de straat zijn.
 
Als alles mag in elke les,
wie vindt dat onderwijssucces?
Wel wijzer waren de docenten
die mij Latijn en Grieks inprentten.
 
De ‘generatiekloof’ – ocherm,
we doen het maar met deze term –
wiens schuld die is? Van jong én oud
die niet zijn moerstaal onderhoudt.
 
Maar liefde en genegenheid,
die zijn nooit in, of uit de tijd.
’k Heb trouwe vrienden, inderdaad,
met wie ik eet, met wie ik praat.
 
En dan zou ík vervreemd zijn? Kul!
Ik die een nieuwe rol vervul,
nog mijn draai zoek in dit huis,
voel me bij wat echt is thuis.
 
Doggerel by a senior citizen, W.H. Auden (1907-1973)
vertaling: Judy Elfferich
 
Voor de originele tekst, zie bijvoorbeeld hier: