
Voor mij geen rederijkgeknutsel
gekunsteld wrochtwerk krijgt geen kans
ik huiver van dit vormgefrutsel
van onmacht vaak een resonans
ik waag me niet aan hol gehutsel
want goede Hans behoeft geen krans
![]() |
|
(vrij naar Kavafis)
De reis gaat beginnen naar Ithaca’s stranden Bezie je weg vrolijk en wens hem zeer lang Je hebt niets te vrezen, je wordt toch niet bang? ’t Is meer dan genieten van kleurrijke landen. Bespaar je de angst , - want dat is echt een schande – Voor duivels, demonen, ’t getal van het beest Die zijn hier te nimmer aanwezig geweest Je neemt immers lot en je leven in handen? Ja, wens dat je weg lang en vrolijk mag zijn De zon te zien stralen, exotische kusten, Leg aan in de havens, vier bot er je lusten En koop er geschenken heel kostbaar of klein Koop kralen van barnsteen, een kruik ambrozijn Verplaats je daarna naar Egyptische steden En leer van hun wijzen, van toen en van heden En zet je des avonds tevree aan de wijn Maar Ithaca, houd het wel steeds in gedachten Het eens te bereiken blijft nochtans je doel Geen haast echter, geef altijd toe aan gevoel Blijf tot je bejaard bent heel rustig toch wachten. Je reis gaf je steeds weer opnieuw verse krachten En Itaca lag aan de basis hiervan Je raakte al reizend steeds meer in de ban Dus over geluk heb je zeker geen klachten Al is het wat pover, het land treft geen schuld Want Ithaca is voor jou niet meer verhuld |

hij staat hier klein en eindeloos te wachten
zo deerlijk kwetsbaar blauw – maar hij verbleekt
vaalwitte vogels stalen ooit zijn krachten
de wind vertelt: hier huist een hart dat breekt
zo deerlijk kwetsbaar blauw – maar hij verbleekt
en ik zak altoos dieper in de dagen
de wind vertelt: hier huist een hart dat breekt
hij legt zich neer – ik hoor het zachte klagen
en ik zak altoos dieper in de dagen
er kleeft een datum aan z’n ondergang
hij legt zich neer – ik hoor het zachte klagen
de wind: verlos hem van zijn zwanenzang
er kleeft een datum aan z’n ondergang
vaalwitte vogels stalen ooit zijn krachten
de wind: verlos hem van zijn zwanenzang
hij staat hier klein en nodeloos te wachten

Er komt een einde aan een periode,
Gezellig winkelen, dat is voorbij,
De crediteuren staan al in de rij,
Het oude warenhuis is uit de mode.
Misschien blijft V&D tóch in de race,
Met Peacock, Humphries, Brahms en Mr. Grace.

Dit is een krans van distichons
Het levert veel wenkbrauwgefrons
Het levert veel wenkbrauwgefrons
Zo’n kleuterkrans van distichons
Zo’n kleuterkrans van distichons
Ach, hou’ het liever onder ons

Dagje stad
I
Zij wilde graag een dagje naar de stad
Een hoogtepuntje voor een vrouw uit Ommen
Tot burgertut met sjaal, omhooggeklommen
Ofschoon ze een Bargoense tong bezat
Zij wilde kleding uit zo’n modeblad
– Ze sloeg geen acht op mijn geërgerd grommen –
En lunchen bij IKEA. Godverdomme,
Ik had het dus bij voorbaat al gehad
Maar ja, men geeft de liefde nog een kans
En let niet op de ongezouten katten
Je hoopt op nog een laatste keertje sjans
Ze kon mijn kozen niet op waarde schatten
En schold me uit voor lul en slappe zwans
Ik lag in bed en kon de slaap niet vatten
II
Ik lag in bed en kon de slaap niet vatten
Ik voelde mij behoorlijk onbegrepen
Wanneer was ik voor ’t laatst door haar gepepen
Moe was ik van die eeuwige debatten
Waarvan allang geen vonkenregen spatte
Het liefst had ik haar strotje dichtgeknepen
Zij snorkte als een zee vol oorlogsschepen
Waarom nam ik niet nu de kuierlatten
Een droge mond, een ruwe tong van leer
Mijn bonkend hart en kouwe klamme jatten
Rondom mij ging de kamer flink tekeer
Dus stond ik op om mij te gaan bezatten
En opende een flesje Hertenheer
Met zware ogen en een kop vol watten
III
Met zware ogen en een kop vol watten
Trok ik die gouden rakkers naar mij toe
Een glas dat leek me veel te veel gedoe
De kroonkurk knalde hard zodat het spatte
Die eerste slok, het siste, niet te vatten
Dus nog een fles, ik was al minder moe
Het derde en het vierde, entre nous,
Kon ik nog op hun juiste waarde schatten
Tot flesje zeven wist ik nog het meeste
Dus nog een biertje, ik was nog niet zat
Ik proostte op mezelf en op de feesten
Waarbij we het wél leuk hadden gehad
Een halve bierkrat later zag ik geesten
Een dwanggedachte had zich postgevat
IV
Een dwanggedachte had zich postgevat
Terwijl ik mij in coma zat te zuipen:
– Ze kan de pot op, krijg nou gauw de stuipen
We blijven hier, ze heeft toch jurken zat –
Het oude waanbeeld naast de lege krat
Begon mijn dronken hersens te besluipen
Het werd dus tijd om weer in bed te kruipen
De laatste fles; ik had genoeg gehad
Ik zat rechtop en brulde zonder reden:
“Bekijk het maar, ik wil niet naar de stad
Daaraan heb ik een broertje overleden!”
Mijn vrouw schrok op en vroeg: “Wat zeg je, schat?”
Ik dacht: je kunt de pot op vanaf heden
Hier ben ik opgegroeid voor galg en rad
V
Hier ben ik opgegroeid voor galg en rad;
Ruik nog de geur van mest en kalksalpeter
Het rokend smeulen van een oude veter
Mijn brandglas was mijn allergrootste schat
De zomer kwam, het hooi lag op een zwad
De zon steeg en het droge land werd heter
Mijn leven was een kante kilometer
Met pruimenbomen langs het kerkepad
Zo draaide ik een film af van een uur;
Ik viste weer en ving de grootste ratten
Ik stookte vuurtjes achter opa’s schuur
Ik haalde streken uit, liet mij niet vatten
Een grote rekel, dat wist elke buur
Als kind al stal ik bij de boer patatten
VI
Als kind al stal ik bij de boer patatten
Ook later was ik niet zo’n fijne vent
Men vroeg - ik leverde mijn groot talent
Voor inbraak langs obscure achterplatten
Ik was niet gierig met mijn vele schatten
In hetero- en ruige homotent
Ik sloeg de kerels op hun kakement
En brak hun kanis met mijn blote jatten
Ik sloeg zo’n koek-en-zopie kort en klein
Klabakken kwamen met hun lange latten
De dreunen klonken dof over het plein
Van links en rechts kreeg ieder oplawatten
Zoals elk jaar klonk hier het schril refrein:
Zo’n stedenreisje dat wordt altijd matten
VII
Zo’n stedenreisje dat wordt altijd matten
Een borreltje teveel, een fout gebaar,
En ik zou knallen als een klapsigaar
Het rode waas: er zou weer bloed gaan spatten
Dan was er echt met mij geen sloot te slatten
– Ze kende me toch meer dan twintig jaar?
Ik kreeg het in mijn daze hoofd niet klaar
Waarom toch kon die trut dit niet bevatten? –
Mijn blaas was vol dus ging ik even pissen
Ik zag mijn ponem, krabde aan mijn gat,
Moest lachen om mijn kleine ergernissen
Dat maffe mens was eens mijn grote schat
Nu vochten wij als kwaaie zwaardwalvissen
Mijn koortsig brein was haast uiteengespat
VIII
Mijn koortsig brein was haast uiteengespat
De hersenkwabben speelden mallemolen
Een linker en een rechter: tegenpolen
In een gevecht waar niemand winst aan had
Het wrakke lichaam moe en afgemat:
Mijn lever had zich in m’n maag verscholen
Mijn tong was alweer droog als gummizolen
En proefde als een homp gebakken rat
Ik draaide nog eens op mijn linkerkant
En weer naar rechts, het was toch van de dolle
Nu voelde ik het prikken in mijn hand
Dan weer was heel mijn slijmvlies opgezwollen
Mijn lijf was tussen slaap en waak beland
Zo lag ik uren in mijn bed te rollen
IX
Zo lag ik uren in mijn bed te rollen
En zag de cijfers van de wekker vallen
Herkende echter niets van de getallen
En liet mij door de groene cijfers dollen
Het liefst zou ik dat rotte wekding mollen
En keihard op de laminaatvloer knallen
Dat ding moest zelfs mijn slechte nacht vergallen
Nou was het uit, ik liet niet met me sollen
De linkerzij maar weer, nog even wachten
Het bleef maar razen op mijn harde schijf
De slaap bleef weg, hoezeer ik het ook trachtte
Hiernaast wist ik mijn rustig slapend wijf
Zij wist niet van mijn zwaar doorwaakte nachten
Mijn benen waren moe, mijn armen stijf
X
Mijn benen waren moe, mijn armen stijf
Waarom lag ik me hier zo op te fokken
Ik had me door mijn vrouw laten verlokken
Ze had het voor mekaar, dat vuil katijf
Een streepje licht, het was een uur of vijf
Ik stond weer op en dronk nog een paar slokken
Nu was het jajem, ik had zonder jokken
Koleire van dit moordend tijdverdrijf
De stad, god nee, het moest me niet gebeuren
De bussen, taxi’s, winkels; vliegen, hollen
Bij die gedachte scheet ik zeven kleuren
Dan liever in een knijp wat uurtjes lollen
En af en toe een keil naar binnen pleuren
Het zweet brak uit, mijn nek was opgezwollen
XI
Het zweet brak uit, mijn nek was opgezwollen
Nog twee uur en dan zou de wekker gaan
Ik had nog zelfs niet één oog dichtgedaan,
Lag hier maar in mijn laken rond te tollen
Waar was de tijd dat ik gewoon kon dollen
Met tante Na, met Juul en Bé en Sjaan
Ik wou gewoon een nachtje op de baan
Ze spookten door mijn hoofd, die ouwe snollen
Maar ja, ik maak al hele lange dagen
Als plukker in een kippenslachtbedrijf
Voor weinig poen maar hoor je mij nu klagen?
Dus prik ik enkel kippen aan mijn nijf
– Niet echt, ik zit je nou op stang te jagen –
Zo’n beeld jaagt je de doodsschrik op het lijf
XII
Zo’n beeld jaagt je de doodsschrik op het lijf:
Een ouwe sok ligt tussen klamme lappen
Bekant als een makreel naar lucht te happen
Met blauwe lippen, ledematen stijf
Mijn ogen werkten als een motordrive
Ik zag nog wel de plaatjes, maar in stappen
Ik hoorde bellen in mijn oren knappen
Geratel van een wrakke dataschijf
Toen kwam de pijn. Ze kwamen met rammeien
Mijn ribbenkast aan grote gruzels mollen
Men hield niet op mijn bast te onderheien
“Genoeg! Riep ik, schei uit met zottebollen
Wanneer komt er een eind aan ’t bakkeleien!”
Ik voelde plotseling mijn aders stollen
XIII
Ik voelde plotseling mijn aders stollen
Mijn borst was zwaarder dan een molensteen
Het angstig piepen ging door merg en been
Ik voelde prikken, duwen, schuiven, rollen
Men sprak van shock en ritmeprotocollen,
‘k Zag blauwe lichten, ik was niet alleen
En vroeg verbouwereerd: “Waar gaan we heen?
Men zei: “Je krijgt een enkel ritje Zwolle.”
Toen hoorde ik: “Je bent er weer, mijn held
Je was haast kassiewijle met dat lijf
En had je laatste joetje uitgeteld;
Je wou je luiken sluiten, buiten kijf
Dus heb ik toen maar 112 gebeld.”
“Ik ben je eeuwig dankbaar, takkewijf!
XIV
Ik ben je eeuwig dankbaar, takkewijf!
Door jou kreeg ik vannacht een laatste kans
Jij belde net op tijd de ambulance
En bracht mij naar het medicijnbedrijf
Met al die plakkers op mijn bovenlijf
Maak ik voorlopig nog geen paringsdans
Eerst staat er negatief op de balans:
De kransslagaders stuk; een stent of vijf.”
Gelukkig wil de humor alweer stromen
En grijns ik naar mijn allerliefste schat:
"Terwijl ik hier op zaal lig weg te dromen
– Ik lig hier als een dooie op mijn gat –
Kun jij straks mooi een jurrekie bekomen:
Jij wilde graag een dagje naar de stad -
XV
Jij wilde graag een dagje naar de stad
Ik lag in bed en kon de slaap niet vatten
Met zware ogen en een kop vol watten
Een dwanggedachte had zich postgevat:
Hier ben ik opgegroeid voor galg en rad
Als kind al stal ik bij de boer patatten
Zo’n stedenreisje dat wordt altijd matten
Mijn koortsig brein was haast uiteengespat
Zo lag ik uren in mijn bed te rollen
Mijn benen waren moe; mijn armen stijf
Het zweet brak uit, mijn nek was opgezwollen
Zo’n beeld jaagt je de doodsschrik op het lijf
Ik voelde plotseling mijn aders stollen
Ik ben je eeuwig dankbaar, takkewijf!”

De polderbollenbergen zijn het hoogst.
De landman wordt een gladdewegbereider,
de voerman wordt een langeafstandglijder:
de kleffeknollenclimax van de oogst.
Een enkeling herkent nu nog de geur
van hongerwinteroverlevingsrapen
waarzonder zij allang waren ontslapen,
vertrokken door de levenseindedeur.
De voetbal die geen oorlog in zich heeft
is vol van wolkenwitte sacharose.
Gemoedsverduistering is uit den boze
wanneer men zomerzoete liefde geeft.
Voor Moeder Aarde was ik al gevallen;
een prachtig wijf met parelsuikerballen.
Nu Witlof de gedeelde winnaar van de Turingprijs is geworden, heb ik meteen maar een inzending voor volgend jaar geschreven. Noodzakelijke ingrediënten: lange zelfgemaakte (eigengemaakte, aldus de dichter des vaderlands) woorden, groente, aarde en onbegrijpelijkheid.
En dan heb ik het nog niet eens over“verzoend en -strengeld”.
Klik hier voor de winnende gedichten:poezieweek.com/nieuws/2015/03-winnaars-turing.html
Op Facebook legt de dichter des vaderlands nog eens haarfijn uit wat hier zo goed aan is:www.facebook.com/video.php?v=986870228008441

Musselse hartenkreet!
Ik zoek 'n vrouw, Yvon'
Stuur 'ns wat geiten
Op zicht noa mien huus
Ik stoa bekend als 'n
Emancipatieboer:
Wief oan 'n ketting
Van bed noar fornuus!

Het gaat goed met onze Nationale Dichters. Naast Anne Vegter, (die als Dichter des Vaderlands is benoemd door een krant), hebben we nu ook Joke van Leeuwen (benoemd door een vaag comité tot Dichter der Nederlanden) en de Dichter des Moederlands Adriaan Remrev, waar wij gisteren over berichtten.
Daarnaast zit nog de Dichter des Koninkrijks in de pen, waarvan het Nationaal Congres volgende week de nominaties zal bekendmaken. Die zal het gehele Koninkrijk, dus ook de overzeese delen, waar andere talen naast het Nederlands gesproken worden, vertegenwoordigen.
En natuurlijk zijn er de talrijke Dichters des Vaderlands, benoemd door Het vrije vers, die allemaal een vergelijkbare status bezitten als die van Anne Vegter.
De Nederlandse Poëzie Encyclopedie poogt enige orde in de chaos te ontwaren in dit stukje.


Naast een Dichter des Vaderlands, is er sinds zaterdag ook een Dichter der Nederlanden. Het is schrijver/dichter Joke van Leeuwen, die is benoemd door initiatiefnemer het Algemeen Nederlands Verbond (ANV). Volgens het ANV is de titel in het leven geroepen ,,omdat poëzie een van de manieren is om het publiek bewust te maken van de relatie tussen Nederland en Vlaanderen."
Dit verheugende nieuws overschaduwde de benoeming van Adriaan Remrev tot Dichter des Moederlands door het blad Moesson (het voormalige Tong Tong), wat zeker ook niet onvermeld mag blijven.
Moesson is de spreekbuis van de Indische Nederlanders in ons land, een bevolkingsgroep van ruim 800.000 personen, die in cultureel opzicht jaren achtergesteld is en een marginale positie innam en neemt.
De reden voor het initiatief van een Dichter des Moederlands is, volgens de benoemingsverklaring in Moesson, het feit dat de Indische Nederlanders niet door de Dichter des Vaderlands en Dichter der Nederlanden worden vertegenwoordigd.
Voor hen is immers het voormalig Nederlands-Indië het vaderland.
Nederland was het verre moederland waar zij, gedwongen door de geschiedenis, hun toevlucht moesten zoeken.
Een Dichter des Vaderlands heeft ook het huidige Indonesië niet, dus in dit opzicht bleven de Indische Nederlanders even verweesd achter als ‘de kinderen van Pa van der Steur’*, zoals Moesson in de benoemingsverklaring zegt, terwijl poëzie toch een van de manieren is om het publiek bewust te maken van de relatie tussen Nederland en het voormalig Nederlands-Indië.
Inmiddels hebben verschillende belangenverenigingen van Indo's, Totoks, Petjoeks, Liplaps, Sinjo’s, Serani’s, Toegoenezen, Mardijkers en Blasterans zich enthousiast achter het initiatief geschaard.
* Het weeshuis van Pa van der Steur te Batavia was in het oude Indië een begrip. Het bestaat nog steeds.

I
Vandaag zal ik eens erwtensoep gaan eten.
Juist, in de volksmond ook wel snert genaamd.
Ik kook het zelf, zoals ’t een kok betaamt,
want erwtensoep uit blik is niet te vreten.
In Honig-snert zijn ze de worst vergeten
en bij de Unox -dat men zich niet schaamt-
daar lijkt de snert wel uit de sloot gewaamd;
alsof ze niets van smaakvervangers weten.
Ja zelfs bij de vertrouwde Albert Heijn
daar blaten ze qua snert slechts dure woorden,
de kwaliteit is enkel schone schijn.
Misschien klink ik een ietsje te vilein
met een teveel aan schrijnende akkoorden,
voor mij moet het wel eigen maaksel zijn.
II
Voor mij moet het wel eigen maaksel zijn
van erwten die ik urenlang laat wellen.
Je merkt al, mij hoef je niets te vertellen,
de snertbereiding is bekend terrein.
En dan natuurlijk kluif met vette vellen.
Ik weet het, dat is niet goed voor de lijn,
maar in de snert daar hoort een poot van ’t zwijn,
ondanks ‘t gevaar dat mij de riem gaat knellen.
Dat ik zo breed word als een cherubijn,
het zal wel, toch kan ik het niet verhelen:
een vette kluif doet mij nu eenmaal dijn.
Al klink ik nu ook als een libertijn
het zij zo, mij kan het geen bliksem schelen,
ik doe hier echt geen water bij de wijn.
III
Ik doe hier echt geen water bij de wijn,
want dat veroorzaakt anti-adaptatie
en minimaal een slechte evocatie
van hoe de ware erwtensoep moet zijn.
Het is een groot gebrek van onze natie
- het interesseert het volk voor nog geen grein,
want haast geen mens in Nederland proeft fijn-
dat men hier snert eet van de laagste staatsie.
Mijn snert laat zich aan andere niet meten
door haar aroma, zachter dan satijn;
zij wordt door vrouw en kroost met smaak gegeten.
De dag erop laat zich dat luide weten:
(gerommel als een woedend everzwijn)
zij staat garant voor mooie volle scheten.
IV
Zij staat garant voor mooie volle scheten,
maar dat heb je wel vaker bij een spijs,
daarvoor is de hachee goed het bewijs
met zijn effect van luide billenkreten.
Die bovendien nog stinken als de neten;
die laat je niet in ’t Koninklijk Paleis.
Nou ja misschien een dwaas met losse vijs
of anderszins brein-technisch flink gespleten.
Al is hachee wat boers en onverfijnd,
ik eet het graag op natte winterdagen
wanneer er miezer uit de hemel dreint.
Of als de zon met regelmaat verdwijnt
vanwege hagel, sneeuw en regenvlagen.
Dan is ’t dat er een pan hachee verschijnt.
V
Dan is ’t dat er een pan hachee verschijnt,
want in de winter blijft het niet bij plannen:
de daad bij ’t woord, ik roer in pot en pannen
en rotzooi maar wat aan, nooit vastomlijnd.
Maar wát ik kokkerel is voer voor mannen,
niet iets dat in een holle kies verdwijnt;
meer voor een smid die van de honger kwijnt
en ouderwetse Oosterse tirannen.
Kortom, het gaat om kerels die echt vreten,
dit zonder wijn maar wel met schuimend bier,
dat pulgewijs naar binnen wordt gesmeten.
Die boerend hun manieren straal vergeten,
de buiken wrijvend van het schransplezier:
De kok heeft zich goed van zijn taak gekweten.
VI
~De kok heeft zich goed van zijn taak gekweten.~
Die woorden staan gebeiteld in mijn geest.
‘k Beschouw het immer als een heerlijk feest,
wanneer ik aan een maaltijd ben gezeten.
Niet dat ik zit te schransen als een beest
en me bestouw dat ik er van ga zweten,
hoewel, nou ja, u mag het ook wel weten,
’t gebeurt dat ik inhalig ben geweest.
Ja, kookt de kok iets heerlijks om te eten
op een manier, met veel gevoel erbij,
dan zijn mijn porties vaak te ruim bemeten.
Al heb ik ook mezelf ~STOP~ toegebeten,
het lukt ten ene male niet bij mij
en voor ‘k het weet heb ik me overvreten.
VII
En voor ‘k het weet heb ik me overvreten.
Ik geef het toe: te kort aan prosodie
zoals ’t genoemd wordt in de poëzie;
ik zou verdorie beter moeten weten.
Maar wekt een smaak mijn warme sympathie
-ik noem maar wat: een stoofpot van boleten
of hoe die paddenstoelen mogen heten-
dan ga ik door mijn één-en-andere knie.
Ik schep wat op en houd het aardig klein
maar ja, zo’n fijne smaak doet mij niet spuwen
en blijkt er nog een flinke boel te zijn,
dan krijg ik het gevoel dat ’k heb gezwijnd.
Een extra bordje zie je mij niet schuwen,
ik stop pas als de laatste kruim verdwijnt.
VIII
Ik stop pas als de laatste kruim verdwijnt.
Genoten als een gierigaard van centen
of een verwoed belegger van de rente;
‘t Is beeldspraak die hier niet echt passend schijnt.
Dus houd ik het gewoon op pap en krenten,
ik kom met krans en wijn ook een heel eind,
al voelt het in dit vers iets te verfijnd.
Ach wat, het blijft bij haringen en tenten.
De voeten aan de grond ’t is uit met zweven.
De metaforen zet ik vlug opzij,
voordat ik veel te ver ben afgedreven.
‘k Weet nu al haast niet waar ik ben gebleven.
Oh ja, ‘t betreft hier grove schranserij:
een topic voor wie niet gezond wil leven.
IX
Een topic voor wie niet gezond wil leven
want hij, die voor een stevig hapje valt
-dus rauwkost meestal zijn humeur vergalt-
weet aan een kuiltje jus wel toe te geven.
Laatst liet mijn huisarts zich een keer ontvallen,
dat als ik naar wat extra tijd wil streven,
dan diende jus en spekvet afgeschreven,
daar ‘k anders deze poging zie verknallen.
Mijn ferme antwoord luidde ongeveer:
~Nu eens een keer geen parels voor de zwijnen
van Sonja Bakker, wat ik hierbij zweer.~
Zo langzaamaan is dat de tigste keer;
al na een dag voel ik mijn daadkracht kwijnen:
Vrouw Bakker, dat is slap geredeneer!
X
Vrouw Bakker, dat is slap geredeneer.
Waarschijnlijk barst ze van de schrijftalenten,
die mag ze in gedichtjes uit gaan venten,
maar ik ga straks met kaantjes in de weer.
Ik zie nog slechts bewolkte firmamenten,
dus hupsakee daar gaat mijn woord van eer.
Het lijnen vraagt een veel te grote veer,
Voor overtuigd obesitaspatiënten.
Het is geen doen om zo te moeten leven.
In hongerlijden heb ik echt geen zin,
dan zal ik maar een poosje eerder sneven.
Ik zie de calorieën nu al kleven;
bij voedzaam eten voel ik me kedin.
Je moet niet naar ’t volmaakte willen streven.
XI
Je moet niet naar ’t volmaakte willen streven.
Ik houd nu eenmaal van gerookte aal
en van het weldoorrijpte hutspotmaal,
daar wil ik wel een jaar of wat voor geven.
Ook heb ik nog een aardig arsenaal
aan kookrecepten -ooit eens opgeschreven
door zeven dikbevriende achterneven-
die smekend wachten op een warm onthaal.
U denkt wellicht: ~wat trekt die man van leer,
hij barst vandaag of morgen uit zijn voegen,
al is zijn maag zo sterk als van een beer. ~
Mijn stoelgang gaat nog steeds gelijk een speer.
Nu het nog kan, eet ik met veel genoegen,
want heus het hart begeeft het ooit een keer.
XII
Want heus het hart begeeft het ooit een keer.
Al zal ik alle spek en bonen schrappen
en nooit meer in een boerenmetworst happen,
eens houdt het er mee op, wat ik je zweer.
Al schept dit onderwerp een droeve sfeer,
ik zou het maar aan beide laarzen lappen
en nog maar even niet met smullen kappen,
wat komen gaat, dat zien we dan wel weer.
Wat in het boek des levens staat geschreven,
daarop heb ik goddank geen enkel zicht.
Of dat ik naar de hemel zal gaan zweven
of hel, nou ja ’t is bijna om het even,
daarvan krijgt zelfs de Paus nog geen bericht.
Ik houd het glas voorlopig maar geheven.
XIII
Ik houd het glas voorlopig maar geheven,
tenslotte ben ik nog geen dooie mus,
wie weet heb ik nog járen in de plus,
voordat ik Mart mijn koude pijp moet geven.
Ja dat wordt nog een omvangrijke klus,
want eerst moet ik nog even succumberen
En daarna nog een poosje expireren;
als het aan mij ligt wordt het rekken dus.
Maar toch, eens komt de tijd dat ik crepeer,
dan toef ik niet meer in het aardse rijk
en schouw van gene zijde op u neer.
Zolang ik in het hier en nu verkeer,
geniet ik als een gastronoom gelijk.
Er komt een tijd dan kan ik het niet meer.
XIV
Er komt een tijd dan kan ik het niet meer,
maar tot zolang voel ik me niet verloren
en zie ik enkel licht en zonnegloren
en blijf ik met mijn pannen in de weer.
Geen diëtist kan mijn humeur verstoren,
Vrouw Bakker zorgt niet voor de ommekeer,
haar boeken leg ik ongelezen neer,
ik wil niets van gezonde happen horen.
Ik zal verdorie zelf toch zeker weten,
waarmee ik maag en darmkanaal plezier,
al is het met de kloten van een stier.
En grote koele kelken schuimend bier.
Ik heb de kluif al in de pan gesmeten:
vandaag zal ik eens erwtensoep gaan eten.
XV
Vandaag zal ik eens erwtensoep gaan eten.
Voor mij moet het wel eigen maaksel zijn
-ik doe hier echt geen water bij de wijn-
zij staat garant voor mooie volle scheten.
Dan is ’t dat er een pan hachee verschijnt.
De kok heeft zich goed van zijn taak gekweten
en voor ‘k het weet heb ik me overvreten,
ik stop pas als de laatste kruim verdwijnt.
Een topic voor wie niet gezond wil leven:
Vrouw Bakker dat is slap geredeneer!
Je moet niet naar ’t volmaakte willen streven.
Want heus het hart begeeft het ooit een keer;
‘k Houd dus het glas voorlopig maar geheven.
Er komt een tijd dan kan ik het niet meer


Sonnettenkrans van een lightversefundamentalist (in 6 uur full time )
I
‘Wat ben ik knap!’zo liet ons Pfeijffer weten
Hij had zich in de verstechniek bekwaamd
En gaf de wereld daarna onbeschaamd
Zijn half gelukt probeerseltje te vreten
Want wat dus een sonnettenkrans moest heten
Was slordig, ruw, onaf, niet afgebraamd
Een domper na wat er was uitgekraamd
In ‘t holle galmen van zijn Tarzankreten
De makers van het rammelend refrein:
Zij putten hoop uit al die loze woorden
En denken dat zij dus óók Dichters zijn
Er dwaalt slechts één gedachte door hun brein
Terwijl zij onze taal verheugd vermoorden:
‘Mijn woorden klinken zoet als marsepein’
II
‘Mijn woorden klinken zoet als marsepein’
Maar marsepein, zo kan ik u vertellen
Zal spoedig al uw tandglazuur gaan kwellen
En maakt een treurig eind aan het festijn
Het kunstgebit dat volgt, zal ook gaan knellen
En daarna komt u op het werkterrein
Van - naar ik hoop - een kundig chirurgijn
Die u door nood gedwongen op moest bellen
Maar ik dwaal af, al is dat wellicht fijn
Voor wie de dichtkunst niet zoveel kan schelen:
Die smaalt op Vondel, Hooft of een Boleyn
De smachters bij het vormloze kwatrijn
Die zich bij een Gerbrandy niet vervelen
Ik vroeg me af: zou dat nu écht zo zijn?
III
Ik vroeg me af, zou dat nu echt zo zijn?
Die poëzie bestaat slechts bij de gratie
Van woorden met een sterke evocatie
Als bad en bed en brood, en brood en wijn
Helaas is dit het kenmerk van de natie:
Het volk bezit qua hersens slechts een grein
En volgt wie gaat gekleed in hermelijn
*)
En zelfs volgt men wie naakt gaat, maar laat weten:
‘Mijn kleding? Zie! Brokaat; fluweel; satijn!’
Dan buigen de plebejers en proleten
Wie zich zo’n kledingstuk heeft aangemeten
Krijgt altijd slaafse volgers, groot en klein
Ach, keizerskleren raken nooit versleten
IV
Ach, keizerskleren raken nooit versleten
Want humbug krijgt altijd de eerste prijs
En in ivoren torens wordt waanwijs
Een diarree van woorden uitgescheten
Huub Oosterhuis mag zich zeer welkom weten
In kerk en kroeg en zelfs in het paleis
Hij wordt gevoed met koninklijke spijs
Door vroom gepeupel vleiend nagezeten
Wie in dit land zijn taal beschaafd verfijnt
Die wordt dat tot zijn dood toe nagedragen
Het wordt naar alle hoeken doorgeseind
Opdat zijn werk maar niet in druk verschijnt
Alleen de holle vaten mogen slagen
Nooit komt er in dit land hieraan een eind
V
Nooit komt er in dit land hieraan een eind:
Aan zwetsers die in hoekjes samenspannen
Waar zij alweer een Nieuwe Stroming plannen
Waardoor wat ‘oud’ en ‘slecht’ is dan verdwijnt
Vernieuwd, Modern, zo noemen zich die mannen
Traditie dient vernield en ondermijnd
Zodat hun ikje ook eens flauwtjes schijnt
En taalgevoel en schoonheid wordt verbannen
Er is een land van zieners en profeten
O lezeres, maar dat is ver van hier
Hier heersen slechts de pseudo-alfabeten
De Dichters met gelaten, grauwgesleten
Zij vinden enkel vreugde en plezier
Aan het gebakkenluchtgebakjes eten
VI
Aan het gebakkenluchtgebakjes eten
Vindt hier de Dichter voedsel voor zijn geest
Hij geselt onze streken als tempeest
Van meer verfijnde zielen en estheten
Steeds luider klinkt het brullen van dit Beest
Zodat de lezer doof wordt voor het weten
En alle oude kennis blijkt vergeten
Die er van prosodie ooit is geweest
Ik heb mij nu van deze taak gekweten
En spijker u bij deze even bij:
De dichtkunst? Dat is passen en is meten
‘Stop’, wordt door mij u stevig toegebeten
‘Met lezen van wat woordjes op een rij
En het voor zoete koek die kletskoek vreten’
VII
En het voor zoete koek die kletskoek vreten
Moet uit zijn, lees eens over prosodie!
Bemin het metrum, ritme, bellettrie!
Heb lief die vormen, zij zijn niet versleten!
De versvorm is een degelijk chassis
Al eeuwen lang in zwang bij de poëten
Voor elk gevoel, op alle lengtebreedten
Geschikt voor scheldpartij en voor esprit
Ballade en rondeel, spicht en onzijn:
Zij zullen u naar hoger honing stuwen
Dat geldt ook voor het Perzische kwatrijn
Pentameter, trochee, alexandrijn:
Ik zal ze door uw domme strotten duwen
Voordat ik grimmig in mijn graf verdwijn!
VIII
Voordat ik grimmig in mijn graf verdwijn
Zal ik die kennis in uw breinen prenten
En dwingend met die oude vormen venten
En wegdoen, al die uiterlijke schijn
Verhef u dus maar van uw luie krenten
Ik schenk u (ja, figuurlijk) klare wijn
Ik roep toch niet voor niets in de woestijn?
Dus grijp de pen, leergierige scribenten
Of blijft u liever toch maar vaagjes zweven
Bij leuterkoek en woordaanstellerij
Bevreesd om van de kudde afgedreven…
Waar is die VOC-geest toch gebleven?
Waar blijft die fiere schare, frank en vrij?
O, dat ik dat nog meemaak in mijn leven!
IX
O, dat ik dat nog mee maak in mijn leven:
Leergierigheid, zodat men niet meer valt
Voor wat een Pfeijffer door zijn knevel bralt
Aan wiens sonnetten vele fouten kleven
De kennersblik is heden zeer versmald
Geen criticus heeft in de krant geschreven
Dat Pfeijffer vele zonden heeft misdreven
En met rijk rijm zijn werkstuk heeft verknald.
Dus kom; grijp naar de pen of ganzeveer
En plemp in fraaie, sierlijke refreinen
Uw zieleroersels op A-viertjes neer
Ga als een gek met de techniek tekeer!
Dit zie ik voor mijn geestesoog verschijnen:
Gedichten van een dame of een heer
X
Gedichten van een dame of een heer
Tot aan de strot gevuld met schrijftalenten
Geen Favereys of metrum-impotenten
Maar kenners van het rijmend veld van eer
Elisie-vrij en geen enjambementen!
Streng calvinistisch, zuiver in de leer
Voortdurend met Jaap Bakker in de weer
En metrumproevers, lettend op accenten
Hoe zinloos is normaal een mensenleven
Dus máák een zin en vul uw leven in
Verrijk de wereld met uw regelgeven
En als die zinnen dan gaan samenkleven
Dan ziet u vele zinnen, zin na zin
Die enkel maar naar het volmaakte streven
XI
Die enkel maar naar het volmaakte streven
Die keren zich vol liefde tot de taal
En hebben weinig zin in het kabaal
Dat Pfeijffer maakt; hij maakt wel érg veel leven
Want hij bezit nog niet het arsenaal
Aan vakkunst waarmee verskunst is doorweven
En liever dan dat eerlijk toe te geven
Verhult hij dat net iéts te theatraal
Wie gaat nog bij een Meester in de leer?
Wie wil nog in diens diepe voren ploegen?
De leerling zwijgt en brengt hem jaren eer
Hij toont vol vrees zijn werkstuk aan zijn heer
Zijn meesterwerk, product van jaren zwoegen
Volmaakt van taal, techniek en ook van sfeer
XII
Volmaakt van taal, techniek en ook van sfeer
Dat lukt pas na veel zweten en veel schrappen
Maar oefening baart kunst, zo zult u snappen
Want ook een wagenwiel draait slechts met smeer
(Let op, hier volgt een duidelijke sneer)
Je zult zo’n Pfeijffer daar niet op betrappen
Die vindt zich al een meester kletskoekhappen
Ook als hij mis hapt bij de eerste keer
Afijn, ik heb nu wel genoeg geschreven
Het einde komt nu eindelijk in zicht
’t Zou sneu zijn voor de eindmeet hier te sneven
Maar dit is hoop ik toch wel bijgebleven:
Schrijf technisch vaardig, hoe of u ook dicht
Laagbijdegronds, diepzinnig of verheven
XIII
Laagbijdegronds, diepzinnig of verheven:
Maar nooit verwrongen of gekunsteld dus
Taalvaardigheid is hierbij steeds een plus
Wanneer er weer eens laat wordt opgebleven
Al sinds de dagen van Egidius
Bracht metrum onze verskunst steeds tot leven
De boer verleidde in zijn groene dreven
De meiden met een wulpse dactylus
Ooit heerste hier de ware dichtersfeer
Het wemelde hier van de rederijkers
En vrouwen vielen voor hun voeten neer
Hun hartstocht leidde tot geslachtsverkeer
En straalde uit hun merenblauwe kijkers…
Maar ach, ik zwijg, zoiets komt nimmermeer
XIV
Maar ach, ik zwijg, zoiets komt nimmermeer
De dichtkunst is, zo lijkt het, lang verloren
Er klinkt gepiep uit een ivoren toren
Men is alleen met ego’s in de weer
Ik zal me hier niet langer meer aan storen
En hoop niet langer op een ommekeer
Dus staak ik nu maar mijn gelamenteer
Want zeg nou zelf, wie wil de waarheid horen?
‘Komaan, vooruit, eerst maar een hapje eten
Er staat nog wat Louisiana stew’
Zo mompel ik, maar ach, het klinkt verbeten
Ik poog vergeefs de zaak maar te vergeten
Mijn oog valt steeds weer op dat interview
‘Wat ben ik knap!’zo liet ons Pfeijffer weten
XV
‘Wat ben ik knap!’ zo liet ons Pfeijffer weten
‘Mijn woorden klinken zoet als marsepein’
Ik vroeg me af: zou dat nu echt zo zijn?
Ach, keizerskleren raken nooit versleten
Nooit komt er in dit land hieraan een eind:
Aan het gebakkenluchtgebakjes eten
En het voor zoetekoek die kletskoek vreten
Voordat ik grimmig in mijn graf verdwijn
O, dat ik dit nog meemaak in mijn leven:
Gedichten van een dame of een heer
Die enkel maar naar het volmaakte streven:
Volmaakt van taal, techniek en ook van sfeer:
Laagbijdegronds, diepzinnig of verheven
Maar ach, ik zwijg, zoiets komt nimmermeer...
*) Hier kwam ik rijm te kort, vandaar die spatie
Voor wie nu verheugd opmerkt dat in het laatste sonnet een ernstige rijmfout zit: omdat zo’n sonnettenkrans wel erg makkelijk is heb ik voor het slotsonnet een bout rimé gemaakt. Dat betekent dat ik de rijmwoorden van een slotsonnet uit een andere sonnettenkrans genomen heb met als extra uitdaging daarmee een coherent verhaal tot stand te brengen dat als uitgangspunt diende voor het geheel. Een bout rimé is een bout rimé, dus de fout bleef. En die komt dus helemaal voor rekening van Bas Jongenelen. Ga je schamen Bas.
Uiteraard heb ik me er niet zo makkelijk van afgemaakt als Ilja: een beetje sonnettenschrijver hanteert een consequent rijmschema met twee rijmklanken in het octaaf, geen vier zoals Ilja, dan is het helemaal geen kunst. In dit geval abba baab cde cde, waarvan ik enkel afweek als de slotsonnetregel hiertoe dwong en ik dan een rijmklank minder gebruikte, wat Ilja wel buitengewoon geniaal moet vinden. En uiteraard dient elk sonnet een volta te bevatten.
Voor wie zich afvraagt wie Jaap Bakker is; hij is de maker van het enige goede rijmwoordenboek in onze taal.
.

Zijn hoge stem, zijn baard, zijn lange haren
De zanger, ooit van Afrodites kind
Werd door een trouwe schare fans bemind
En raakte met zijn liedjes vele snaren
Ook ik werd destijds in mijn jonge jaren
Geraakt door Demis en zijn vriend de wind
En dacht een man die deze tekst verzint
En zo mooi zingt die zal het lot wel sparen
Ik was helaas naïef, ook deze Griek
Werd door het spook dat kanker heet besprongen
En, veel te jong nog, ongeneeslijk ziek
'Forever' heeft hij jarenlang gezongen
'And ever' zong hij daar dan achteraan
Maar wist natuurlijk: eeuwig zal niet gaan

De Gedichtenweek komt eraan en het Poëziegeschenk is een dun boekje met, alsof het niet op kan, maar liefst 15 (jawel; vijftien, waar haalt hij de energie vandaan!) vormvaste gedichten van Ilja Leonard Pfeijffer. En niet zomaar gedichten, maar een echte Sonnettenkrans.
Daar deed hij naar eigen zeggen een maand over, dus dan kun je wat verwachten.
Het wordt dan ook ronkend als volgt aangekondigd:
“Giro giro tondo uit de titel verwijst naar de beginregel van een Italiaans kinderliedje- is een in vormtechnisch opzicht niet eerder vertoonde gedichtencyclus in de Nederlandstalige literatuur. Het is een volledig aan alle strenge regels gehoorzamende sonnettenkrans, een uitermate complex en moeilijk sluitend te krijgen geheel van vijftien sonnetten.”
Trots bevestigt de dichter in een interview in de Volkskrant dit opzienbarende gebrek aan kennis.
Uitermate complex? Moeilijk? Niet eerder vertoond?
In 1898 schreef Jeanne Reyneke van Stuwe al een sonnettenkrans (http://rond1900.nl/?p=20584 )
En we noemen ook maar even F.L Bastets sonnettenkrans Koning van Rome, gepubliceerd in Gedichten 1960, later opgenomen in Catacomben. En Wiel Kusters en Huub Beurskens met twee sonnettenkransen (In duizend kamers, Meulenhoff 2006). En zo zijn er meer.
En uiteraard het sonnettenraam van Drs. P, met een grotere moeilijkheidsgraad (want zo’n kunst als de borstklopperij van Pfeijffer doet vermoeden is het niet - en een maand 'fulltime' hieraan werken veroorzaakt een hol en honend gelach in de burelen van Het vrije vers) bestaande uit veertien sonnetten, waarin de beginregels samen het uitgangssonnet I vormen, en de eindregels het slotsonnet XVI.
Een oordeel over de sonnetten kan ik nog niet geven (eerst een bundel van mezelf kopen om het Geschenk in ontvangst te nemen), maar Ilja Pfeijffer heeft in het verleden al eens aangetoond vormvast te kunnen werken met een zeer geslaagde parodie op de Vaderlandse Rijmkronieken van Rawie en Van Wissen in de NRC.
Maar dat was simpel aabbcc-werk.
In het interview in de Volkskrant zegt hij enkele verstandige dingen over vormvaste poëzie ( "De vorm moet onopvallend worden, natuurlijk ogen"(...) "Vormvaste verzen zijn de avant-garde van heden": welkom in de club, maar eerst de wind van voren Ilja) en in het voorbeeld in de Volkskrant (sonnet 8) toont hij in staat te zijn vormvast te werken met behoud van de levendigheid in de zinnen, dus er is hoop.
Maar helaas: met het rijk rijm in de niet bepaald natuurlijk ogende zinnen De vaas van oma wankelde vervaarlijk/Het stille mes werd bijna nog gevaarlijk in dit sonnet is zijn avontuur al mislukt.
En afgezien van dit alles: niet alleen is zijn sonnettenkrans helemaal niet de eerste, ook als boekenweekgeschenk is het niet origineel!
Nog maar twee jaar geleden bestond het Alternatieve Boekenweekgeschenk uit, jawel, drié sonnettenkransen.
Hier klikken en je krijgt het gratis en voor niets nóg een keer. Zo zijn wij van Het vrije vers, als het ons ook niets kost.
En laat je niet imponeren door holle frases; vijftien sonnetten, dat is niets.
100.000.000.000.000 sonnetten: dan heb je pas wat.
Vooruit, die geven we óók gratis weg: hier klikken en je bent de rest van je leven bezig.

Ik krijg haar in dit leven niet te zien.
Ik wil er ook niet heen. De overzijde
want hel of hemel wil ik graag vermijden,
zo lang het kan. Ik hoop op honderd tien
gezond en van het leven rijk gedronken,
de aardkloot rondgezworven wijd en zijd -
genoten van de schier oneindigheid
en de muziek, dat mij de oren klonken.
De zee van liefde die ik vaak bevoer
en altijd vol genoegen heb bevaren,
met smaak en een gezonde drang op ’t roer,
in nachten die vervuld van hartstocht waren
en die ik met een heerlijkheid ervoer,
zal ik voor altijd in mijn hart bewaren.

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten, het vierde deel.
Klik hier.

Apotheker Otto Carius entschlief am 24.01.2015 nach kurzer schwerer Krankheit im Kreise seiner Liebsten in seinem Zuhause und seiner vertrauten Umgebung. Wir dankem Ihm für viele wunderbare Jahre und die Existenz der Tiger-Apotheke.
De Heer heeft tot zijn hemelschaar genood
Herr Otto Carius, infanterie
Een Tigerkampfer, militair genie
Die meer dan honderd tanks de hel in schoot
Hij sleet zijn oude dag als apotheker
Toe, geef die man een vaantje en een beker
Information:
Neuauflage des Buchs "Tiger im Schlamm" von Otto Carius (Edition 03/12)
im Ort Herschweiler-Pettersheim bei Göddel&Carius GbR zum Preis von € 21,40 erhältlich. handsigniert!