Allemachtig. Die wedstrijd n.a.v. Peter Knipmeijers poëtisch Kunstgeschiedenisoverzicht Opgelapt schilderwerk begint zorgwekkende vormen aan te nemen. Het ene meesterwerk na het andere wordt op jolige wijze onderuitgetrokken en de vraag welt ons naar de lippen: 'Is er dan niets meer heilig?'
Het antwoord is natuurlijk een onverbloemd 'Nee'. En dus maken we er maar een Joost-Zwagermanweekje van,
Wie wil bijdragen aan deze volksopvoeding kan zijn bijdrage kwijt op het forum.
De mensen noemen mij een tennisbal
maar op het centercourt ga ik niks winnen
ga zelfs nooit aan een eerste set beginnen
geen oefenpotje in de tennishal.
Lig meestal op de schoenenplank hierbinnen
als we naar buiten gaan weet ik het al
wordt ingeklemd in lang rood krom geval
en naast me raakt er eentje buiten zinnen.
Dan in het park, driehonderd meter later
verlaat ik met een ruime zwaai de grond
en plons ik na een duikvlucht in het water.
Bejaagd en nagezeten door de hond
er vliegen eenden weg met veel gesnater
en ik vaar terug in Rakker’s zachte mond.
Vol zomer. Zwervend zoekt ze de natuur.
Geniet volop van bomen, struiken, grassen
en ademt zoete geuren van gewassen,
ervaart al wat ze ziet als goed en puur.
Ze laat zich door een haastig hert verrassen,
de tijd verliest betekenis en duur.
Ze loopt genietend alsmaar uur na uur;
ze stopt, ze hurkt en gaat dan zitten plassen.
De paardenbloem eronder kijkt omhoog
recht in de zonbeschenen waterboog
van klaterende en zachtwarme stromen.
Hij houdt zijn stralend gele hoofd niet droog
en stort zich (dat hoeft verder geen betoog)
in mooie en behoorlijk natte dromen.
Wanneer ik 's avonds in de tobbe lig te weken diep onder 't schuim, van af mijn tenen tot de kin gelijk een licht en luchtig uitgespreide deken, dan krijgt mijn droge leven weer een beetje zin.
Want als ik 's avonds in de badkuip ben gekropen dan zwerven mijn gedachten op de wilde vaart. Ze zeilen weg over de zee tot in de tropen, ik voel me eventjes verlost van huis en haard.
Ik laat een bootje door de shampoo vlokken varen en voel me dan gelijk weer stuurman op de brug die in het noodweer toch de kloten weet te klaren, door scherpe geest en met een fier gerechte rug.
Maar als ik kort daarop het sop ben uit gekomen, trek ik de stop er uit, daar gaat mijn oceaan dan is het afgelopen met die heldendromen, en blijft er slechts een ouwe blote kerel staan.
Nog eentje dan en dan wordt het tijd dat die bundel eens verschijnt:
Levend Nederlands
Ik roep: 'Gemeen!' en: 'Werkelijk infaam!'
Très en colère hier aan myn table d'hote
Wat de couranten nu weer dorsten schryven!
Halfhartigheid! Van elk vaillance ontbloot!
't Zyn minne kerels, laffe lauwe wyven!
O, als ik maar niet zulke armoe leed!
Ik ben genoopt om wéér miskend te blyven
Terwyl ik altyd sans réserve streed
Nu, cas d'urgence, sluips onder valse naam
Incidemment neem ik au sérieux
De uitspraak: 'Le journal est un monsieur'
Eduard Douwes Dekker ('Ik leg mij toe op het schrijven van levend Nederlands' Multatuli)) nam in 1866, als altijd om geld verlegen, het baantje aan van Rijnlands correspondent van de Opregte Haarlemsche Courant.
Natuurlijk kon hij zijn mening niet voor zich houden en omdat dat niet mocht verzon hij een krant, de Mainzer Beobachter, waar hij tot 1869, toen zijn diensten niet meer verlangd werden, naar hartelust en breedvoerig uit citeerde en die het altijd totaal oneens was met alle kranten waar hij uit geacht werd te berichten:”(…) De Mainzer Beobachter behandelt dezen brief in eenige spottende regelen, waarin dat blad de Parijsche jongelieden berispt over hunne waanwijsheid, en besluit zijne opmerkingen met deze woorden: 'op uwe vraag, of het niet de pligt der studerende jeugd is, deze of andere waarheden te verkondigen, antwoorden wij eenvoudig: Neen, jongelieden, dat is uw pligt niet! Uw pligt is ijverig te studeren, opdat ge, na ernstige inspanning, en na in de maatschappij te hebben getoond, dat ge het regt veroverdet om als mannen medetespreken, in staat moogt zijn 'iets te verkondigen.' Voorlopig wijzen wij u terug naar uw collegiebanken…”
(Reactie op een vredesoproep van Franse studenten die in een open brief betoogden tegen een dreigende oorlog: 'De volken zijn groot, niet naar mate van de omvang hunner grenzen, maar door hun constitutiën. Frankrijk en Duitschland behooren aantedringen, niet op ruimere grenzen, maar op meer vrijheid.').
Bos met zijn bodem zo soepel en zacht -meldt Drentse Bart in vertrouwen aan mij- biedt me een plek waar ik drie keer per nacht ons Hillechien naar een hoogtepunt hei