Het was alsof, terwijl ik zat te lezen,
een poes zich installeerde op mijn schoot
om mij weer te verzoenen met de dood,
het leven en het wrede opperwezen.

Had ik toen maar die bundel weggelegd
dan wist ik of hij écht iets heeft gezegd.

Kom, zei het schaap Veronica, ik ga eens naar de hemel
Ik wil nu wel eens weten wat er waar is van die praat
Het klinkt mij in de oren als gezever en gezemel
Dan ga ik zelf toch even kijken hoe het boven gaat?

Kijk, zei het schaap, de reis moet met een luchtballon wel lukken
Een grote rode luchtballon, is dat geen goed idee?
Die komt misschien niet hoog genoeg, dat mag de pret niet drukken
Het laatste stukje vlieg ik met die schaapjeswolken mee

Dat kan niet, zei de dominee om haar de les te lezen
Er is maar één die uitmaakt wie er naar de hemel mag
Pas als u in uw leven Hem voldoende heeft geprezen
Dan mag u na de dood de hemel in op Zijn gezag

Ach, zei het schaap Veronica, wat kunt u overdrijven
Een Heer vindt het gezellig als ik op visite kom
Ik hoef toch niet meteen tot in de eeuwigheid te blijven
Ik blijf gewoon een uurtje en een uurtje is zo om

Dus ging het schaap Veronica per luchtballon naar boven
Wat ben je vroeg Veronica, sprak Petrus aan de poort
Ja, sprak het schaap, ik blijf maar kort, dat zal ik u beloven
Vooruit, zei Petrus toen, maar dit is niet zoals het hoort!

Veronica trad binnen en ze was meteen tevree
Want daar zat Driek bij Annie in een suite aan de thee
Mijn metrum hobbelt als een geitenwagen
Mijn taal is net zo leeg als mijn bestaan
Mijn beeldspraak is zo krom als een banaan
Mijn rijmen zijn te dikwijls nederlagen
 
Mijn nieuwsgedichten willen maar niet slagen
De frappe is slecht, de boodschap komt niet aan
Nooit ben ik echt oprecht met iets begaan
De toon is vaak een zielig soort van klagen

En ook mijn aanzien zal geen vrouw behagen
Qua baardhaardichtheid lijk ik een sopraan
Nooit zul je mij in ruitjes gadeslaan
Ik durf niet eens een vlinderdas te dragen

Zijn looks, engagement en verstechniek
Ik was al blij met één procent van Driek
Je liet ons zien hoe mooi de taal kan zijn
Door haar met liefde en respect te zingen
Of haar met zachte vakmanshand te dwingen
Dat jij er niet meer bent, Driek, doet ons pijn

Als dichter ben je nu weer druk geprezen
Je werk wordt echter eeuwig stuk gelezen
Mijn bundel is door Driek ooit gesigneerd
De titel luidt: Een loopje met de tijd
Het eerste vers lijkt aan hemzelf gewijd
Want lees maar wat het slotterzet oreert:

‘Maar als het laatste uur ooit heeft geslagen
Dan ziet men zwartomlijnd geschreven staan:
Te jong – hij was te jong om heen te gaan.’
 

Citaat uit het gedicht ‘Leeftijd’.
‘Een loopje met de tijd’, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 1993.


De zelfbenoemde poëzie-elite
Vond hem als dichter maar van laag allooi
Zijn rijmkunst, in haar ogen, was geklooi
Waarop zij van haar toren uit kon schieten.

Ik denk niet dat het hem echt kon verdrieten
Dat men hem in die toren zag als prooi.
Hij deed naar die eliteplek geen gooi
En ging er ook het liefst niet op visite.

Hij kon van strakke vormen juist genieten
En wilde zijn gedachten in de plooi
Van sonnettettes en sonnetten gieten

Ik houd voor hem een welgemeend pleidooi
Want hij behoorde tot mijn favorieten.
Ik vind zijn verzen ‘Onverwoestbaar mooi’.


Nooit heb ik Driek ontmoet
Een In Memoriam
Is dan misschien
Niet heel erg comme il faut

Toch zeg ik hierbij hoogst
Allererkentelijkst
Rust nu in vrede
Merci en chapeau!
Wanneer op deuren duwen staat geschreven
Doe ik het tegendeel en trek toch even.
Al weet ik dat geen deur dan opengaat,
Ik wil mijn onvermogen zelf beleven.

Uit: Onverwoestbaar mooi – 2003



Onverwoestbaar mooi

Hij die zijn laatste regel had geschreven
kwam bij de grote poort en trok nog even
– best wetend dat ie zelf wel opengaat –
die onmacht wou hij tot het laatst beleven.

Wat had ik graag de naam Komrij gelezen
In dat verdomde teletekstbericht
Of Zwagerman: de lui die Driek misprezen
En hem kwalificeerden als ‘te licht’

De leden van het kunstenaargericht
Die nooit verzuimen terpentijn te pissen
Op elk niet door henzelf gepend gedicht
Kortom, figuren die ik niet zou missen

’t Is echter niet aan mij zulks te beslissen
Maar aan de Macht die het heelal beheerst
In al diens wijsheid nam Hij Driek van Wissen
De goeien, immers, gaan altijd het eerst

Drieks tegenstrevers voelen ‘m al aan:
Zij hebben nog een lange weg te gaan



Wanneer een lichte dichter is gestorven
dan zou je denken: dat is minder zwaar,
hij heeft in zoveel mooie taal gezworven,
er komt een punt, dan is hij ermee klaar.

En al die grappen die hij heeft verwoord,
hoe vaak heeft hij wel niet de spot gedreven
met liefde, dood, met een karaktermoord,
of zelfs zijn eigen eindsonnet geschreven.

Ook als de ironie het af moet leggen,
toch zoekt hij naar een vorm die daarbij past,
die weergeeft wat hij daar over kan zeggen
al is hij nu dan zelf niet meer vormvast.

Het blijft een lullig puntje aan het leven:
de clou is van tevoren al gegeven.

I.M. Driek van Wissen



het mooiste meisje van de klas
veegt triest de tranen uit haar ogen
wat was u aardig en bevlogen
dag meester met de vlinderdas

het valt haar zwaar, het lieve kind
ze had hem heimelijk bemind
Joost Zwagerman die zette stuurs de toon
De druiven waren blijkbaar heel erg zuur
Je zag hem zeer vertoornd de vuistjes ballen 

Ook Zeeman zette zich toen in postuur
'Een drinkebroer', zo hoorde men hem lallen
'Heeft niet het recht op deze lauwerkrans!' 

Ze werden door hun maatjes bijgevallen
Ook Pfeijffer raakte hevig uit balans
Die wou zelfs Driek te lijf gaan in persoon 

'Dit is bedrog!' riep ieder aangedaan
'Hij is geen keizer: hij heeft kleren aan!'


Over armoede aan poëzie bij toonzetters.

Ook dit gedicht komt uit de bundel Het pak van Sjaalman. Hij zal het helaas niet meer lezen.

Het was bij hem niet nodig om te gissen
Naar wat hij had bedoeld met een gedicht,
Je vroeg je ook niet af wat hij wellicht
Verstopt had achter woordbetekenissen.

Een metrum, rijm, voor velen hindernissen,
Zag hij juist als een doel, een soort van plicht.
Met vaste vorm hield hij zijn verzen licht
En wist zo onze blik vaak te verfrissen.

De dood, waar iedereen een keer voor zwicht,
Die over onze levens kan beslissen,
Heeft plotseling zijn blik op hem gericht.

Helaas, we zullen hem nu moeten missen
En ook die strik en zijn bebaard gezicht
Maar niet de poëzie van Driek van Wissen.


Driek kijkt meewarig naar al die devotie:
Dichter bij God is een leuke promotie!
Als de liefde voor taal in je bloed zit
En je liefde voor taal is zó groot
Dan is zo’n acute beroerte
Een meer dan natuurlijke dood

Ik was haar schat, zij was mijn bruid,
De toekomst zag er romig uit.
Maar toen ik voor het altaar stond
Was ik alleen: zij dween, zij zwond.

Eens vormden wij een trouw gespan,
Ik was haar vrouw en zij mijn man,
Maar niets is nog zoals voorheen
Want driewerf ach! Zij zwond, zij dween

Zij was mijn afgod, mijn idool
- Hoewel een ietsje te frivool -
Ik smacht naar haar zo menig stond,
Maar 't is voorbij: zij dween, zij zwond.

Hij wiens verloofde dwijnt of zwindt
Ofschoon hij haar verwoed bemint,
Kwijnt weg in troosteloos geween
En huilt gefnuikt: zij zwond, zij dween!

Mijn eerste vrouw vree met de halve stad
De tweede was verslaafd aan Belgisch bier
De derde had in elke hand een gat
Zo is er met de liefde altijd wat:
Ik vraag me af, wat brengt me nummer vier
Praktijkles 

Wat was ze mooi, de Franse lerares!
En dan nog dat vertederend accent!
Zij had veel op het mijne aan te merken 

Van vrouwen ben ik geen kritiek gewend
Maar wilde best mijn uitspraak wat versterken
Terwijl mijn libido daarbij niet sliep 

We gaan eerst, zei ze, aan de klinkers werken
Klonk goed! Dus zei ik: 'Çe n'est pas une pipe!'
En gaf haar een aanschouwelijke les 

Haar lippen vormden duidelijk een eau
Het werd een klinkende fellatio!  

Over de klinkletters.


(uit de bundel Het pak van Sjaalman)
Heremijntijd! 

Er is iets raars aan de oneindigheid:
Oneindig gaat maar altijd, altijd door
En nooit en nooit zal er een eind aan komen 

Een trein die steeds maar doorrijdt op zijn spoor
En zonder eindstation maar door blijft stomen
Maar toch: ooit stapte er een stoker in 

Oneindigheid kan enkel voorwaarts stromen
Het vreemde is: het heeft wél een begin
Dat is toch met oneindigheid in strijd? 

'Hier klopt iets niet: wat doe Ik hier toch fout?'
Is iets wat God al eeuwig bezighoudt  

Over het verschil tussen de begrippen:  O n e i n d i g e 
t y d  en:  E e u w i g h e i d .

(uit de bundel Het pak van Sjaalman)



Nou is de ark van Noach wéér ontdekt!
Een jaarlijks ritueel rond deze tijd
Er moet een vlóót geweest zijn van die dingen

Om wat de échte is woedt hevig strijd
- Niet ongewoon in christelijke kringen –
En half Amerika gelóóft die kul!

In elke staat hoor je er gospels zingen
Het fundamentalistisch onbenul
Heeft zijn tentakels gretig uitgestrekt

Een zondvloed zal dat land niet gauw bedekken
Er heerst daar al een overvloed aan gekken


Voor wie het gemist heeft: op youtube staan ook mooie filmpjes, voor het eerst van de binnenkant van de ark! Let ook eens op de stenen, rechtsboven dit expeditielid, die - een wonder!- de zwaartekracht trotseren.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Geruststelling

lethargie
Pixabay
 
ontwaak je ooit nog uit je lethargie
of blijf je eeuwig liever lui dan moe
accoord, je ziet wat wit dat geef ik toe
maar koorts is echt niet wat ik aan je zie

toch zal ik om een mooie kist gaan bellen
al was het maar om jou gerust te stellen