De ruitenwissers zwaaien heen en weer
En vegen vlokken tot een kleffe vacht
Het dashboard gloeit een knusse atmosfeer
De stralers keilen kegels in de nacht
Dan staat hij in de troonzaal voor de Heer
’t Was gladder op de weg dan dat hij dacht
Het lijkt ons eigenlijk nog kort geleden.
Ik weet precies nog wat ik die dag dee:
Het vroege opstaan was één keer oké;
We zaten ’s morgens vroeg in het café.
Toen werden speculaties nog vermeden.
We konden de kliniek nog niet betreden,
Het wachten was nog op de laatste wee.
Nog even wachten en dan word je twee
Verlossend woord, verhoor onzer gebeden
Een kort bericht: hier kunnen we wat mee.
“Vandaag, in deze zuidelijke stede,
Maakt Amy een verpletterend entree!”
Het lijkt ons allen nog zo kort geleden…
Ruim veertig jaar geen dag aan haar gedacht
(Haar zelfs, zo leek het wel, gewoon vergeten)
Merk ik hoe zij steeds in mij heeft gezeten
En al die tijd geduldig heeft gewacht.
Ik las de krant terwijl ik zat te eten
En zag haar naam, werd van mijn stuk gebracht
Want uit het niets kwam ik zo iets te weten
Wat leidde tot een korte jammerklacht.
Als kind heb ik ooit veel van haar gehouden.
Ze deed er in mijn jonge jaren toe,
Nog meer zelfs dan de clown met wie ze trouwde.
Ik lachte als hun liedje kwam en hoe
Totdat mijn aandacht op den duur verflauwde
Maar door haar dood denk ik aan Mamaloe
Het regent en de dagen blijven duister.
De wereld, in een nevel, o, wat grauw!
Het leven mist zijn vaart en kent geen luister,
De neuzen nat, de kelen voelen rauw.
Wat haken wij nu naar wat hemels blauw.
Wat zon, wat warmte, lijkt ons zoveel juister.
Wat haten wij dat nat, die waterkou:
Ons ongenoegen klinkt steeds ongekuister.
’t Verlangen blijft voorlopig onvervuld.
De maanden melden zich in vast gelid;
De regen zal nog heel wat weken dreinen.
’t Is tijd voor hete grogs en warme wijnen,
Het lichaam lijdt aan stijfte, jicht en spit.
Er zit niets anders op dan veel geduld…
Wanneer ik ’s avonds met mijn jongeheer
de Oude Zijde van de stad bewandel,
dan zie ik ogen groot als een amandel.
Mijn hart gaat als een mitrailleur tekeer.
Ze komt niet uit Den Helder of Den Andel.
Ze is geboren bij het Baikalmeer,
waaruit ik aangeslagen concludeer,
dat ik getuige ben van vrouwenhandel.
Ik sta versteend. Wat kan ik hieraan doen?
Hoe krijg ik haar weer thuis, terug naar het oosten?
Moet ik naar burgemeester Van der Laan?
Eén actie slechts getuigt van goed fatsoen:
haar voor een klein bedrag een beetje troosten,
dan hebben wij er allebei wat aan.
je volgevreten lijf hangt in een stoel een luid geronk komt uit je open smoel je weeë lucht van zweet walmt om je heen en blauwe kabels lopen op je been
maar goed, je houdt nu even toch je bek en staakt voor dit moment je dom gekwek je loze praat verstomt misschien een uur dan word je wakker, barst weer los vol vuur
ach, allen zijn we ook maar wie we zijn ik ben voor jou toch ook geen echte heer en niets krijgt mijn gevoel van liefde klein
dus rust je eenmaal op je laatste stek dan leg ik zorgzaam bloemen bij je neer wel gauw graag, anders word ik stapelgek
Het jaar was om en als gewoonlijk blijven schaapjes binnen.
Een watertje, wat gras; men praat genoeglijk met het vee.
Wat heerlijk om het nieuwe jaar eens rustig te beginnen
Dat dacht het schaap Veronica vanmorgen bij de thee.
Zo niet de dames Groen; ze liepen hossend door de straten
En belden luidkeels juichend bij het arme schaapje aan.
“U gaat toch met ons mee naar zee? Nee, stil, hier helpt geen blaten,
We hebben hier een badpak en het zal u beeldig staan.”
Veronica verbleekte en haar lip begon te trillen:
“Ik hoef toch zeker niet…” maar voor ze uitgesproken was
begonnen onze dames haar al uit de jas te tillen,
en hesen haar in zwemgoed, mét oranje muts en das.
“De plaatselijke slager wil een centje bijverdienen,
Wij breiden alle logo’s in de sjaals tegen de kou.”
Het schaapje in de auto, ze begon van schrik te grienen.
“Ach gut,” susten de dames, “wees toch stil, tuttut, nounou.”
Ze kwamen bij het strand en met nog duizend and’re dieren
Stond daar het schaap Veronica te bibb’ren aan de kant.
De dames liepen half decent te joelen en te gieren
En schoten na het fluitsignaal vooruit over het zand.
De duik, dan warme chocomel en erwtensoep met worst;
Ons schaapje keerde huiswaarts met een koutje op de borst.
Ze kwam al langer dan zes weken niet uit bed,
haar benen weigerden het schriele lijf te torsen
en ook het eten ging niet meer zonder te morsen,
Haar eens zo scherpe geest verkeerde in verlet.
Toch bleef ze opgeruimd, haar ogen blonken pret
om kleine dingen waar ze zo van kon genieten.
En ook haar Wim kwam regelmatig op visite,
ondanks het feit dat hij reeds lang was bijgezet.
Op oudjaarmiddag zei ze ~ik doe nu een tuk,
ga maar naar huis, een fijne avond en tot morgen.
Alleen de poes, met straks dat vuurwerk, baart me zorgen.
Veel heil en zegen en een heleboel geluk.~
Die avond is ze op de lange reis gegaan,
in blind vertrouwen ~ik kom straks bij Willem aan~
het cijfer dertien is weer opgedoken
het liet zich honderd jaar niet aan ons zien
ik hoopte met de Maya’s dat misschien
de aardkloot voor zijn komst zou overkoken
het wachten is op rampspoed, crises, spoken
verval met alle narigheid van dien
ellende volgens vast en grof stramien
ik heb een nakend onheil reeds geroken
ik ben geen pessimist, maar mooie tijden
zijn nu volstrekt voltooid verleden tijd
er wachten wanhoop, leed en taaie strijd
mijn boodschap zal u zeker niet verblijden
ik vrees een loodzwaar jaar vol somber lijden
maar wens u uiteraard veel vrolijkheid
Op de blogsite van Daan de Ligt is zijn bundel 'Negenenvijftig!' als e-book te downloaden, gratis nota bene.