Toen God de eerste dame schiep,
verzuchtte hij: "Ik schaam me diep!"




De ruitenwissers zwaaien heen en weer
En vegen vlokken tot een kleffe vacht
Het dashboard gloeit een knusse atmosfeer
De stralers keilen kegels in de nacht

Dan staat hij in de troonzaal voor de Heer
’t Was gladder op de weg dan dat hij dacht




Heren pedaalridders
Nooit meer een leugenaar
Als u de fabelpil
Armstrong nu slikt

Want hij verdubbelt uw
Hypocrietwaardigheid
Is dus voor zondaars
Bij uitstek geschikt





Nog even wachten en dan word je twee.

Het lijkt ons eigenlijk nog kort geleden.
Ik weet precies nog wat ik die dag dee:
Het vroege opstaan was één keer oké;
We zaten ’s morgens vroeg in het café.
Toen werden speculaties nog vermeden.
We konden de kliniek nog niet betreden,
Het wachten was nog op de laatste wee.

Nog even wachten en dan word je twee

Verlossend woord, verhoor onzer gebeden
Een kort bericht: hier kunnen we wat mee.
“Vandaag, in deze zuidelijke stede,
Maakt Amy een verpletterend entree!”
Het lijkt ons allen nog zo kort geleden…

Geen baby meer, je wordt al bijna twee!




Ruim veertig jaar geen dag aan haar gedacht
(Haar zelfs, zo leek het wel, gewoon vergeten)
Merk ik hoe zij steeds in mij heeft gezeten
En al die tijd geduldig heeft gewacht.

Ik las de krant terwijl ik zat te eten
En zag haar naam, werd van mijn stuk gebracht
Want uit het niets kwam ik zo iets te weten
Wat leidde tot een korte jammerklacht.

Als kind heb ik ooit veel van haar gehouden.
Ze deed er in mijn jonge jaren toe,
Nog meer zelfs dan de clown met wie ze trouwde.

Ik lachte als hun liedje kwam en hoe
Totdat mijn aandacht op den duur verflauwde
Maar door haar dood denk ik aan Mamaloe





Het regent en de dagen blijven duister.
De wereld, in een nevel, o, wat grauw!
Het leven mist zijn vaart en kent geen luister,
De neuzen nat, de kelen voelen rauw.

Wat haken wij nu naar wat hemels blauw.
Wat zon, wat warmte, lijkt ons zoveel juister.
Wat haten wij dat nat, die waterkou:
Ons ongenoegen klinkt steeds ongekuister.

’t Verlangen blijft voorlopig onvervuld.
De maanden melden zich in vast gelid;
De regen zal nog heel wat weken dreinen.

’t Is tijd voor hete grogs en warme wijnen,
Het lichaam lijdt aan stijfte, jicht en spit.
Er zit niets anders op dan veel geduld…

 


(schilderij:Gregory Thielker)
 




De dichters van plezier

Je ziet ze op de vreemdste plekken,
in parken of op lege pleinen,
daar broeden ze als dorpse gekken
op hun sonnetten en douzijnen.

Spontaan gaan ze dan declameren
met veel bombast en retoriek,
verheffen zich in hoger sferen
voor meestal hoogbejaard publiek.

Er is vast wel een reservaat
voor dit merkwaardige vertier.
Al doen ze verder niemand kwaad,
zijn soms best aardig, op papier.




Wanneer ik ’s avonds met mijn jongeheer
de Oude Zijde van de stad bewandel,
dan zie ik ogen groot als een amandel.
Mijn hart gaat als een mitrailleur tekeer.

Ze komt niet uit Den Helder of Den Andel.
Ze is geboren bij het Baikalmeer,
waaruit ik aangeslagen concludeer,
dat ik getuige ben van vrouwenhandel.

Ik sta versteend. Wat kan ik hieraan doen?
Hoe krijg ik haar weer thuis, terug naar het oosten?
Moet ik naar burgemeester Van der Laan?

Eén actie slechts getuigt van goed fatsoen:
haar voor een klein bedrag een beetje troosten,
dan hebben wij er allebei wat aan.





je volgevreten lijf hangt in een stoel
een luid geronk komt uit je open smoel
je weeë lucht van zweet walmt om je heen
en blauwe kabels lopen op je been

maar goed, je houdt nu even toch je bek
en staakt voor dit moment je dom gekwek
je loze praat verstomt misschien een uur
dan word je wakker, barst weer los vol vuur

ach, allen zijn we ook maar wie we zijn
ik ben voor jou toch ook geen echte heer
en niets krijgt mijn gevoel van liefde klein

dus rust je eenmaal op je laatste stek
dan leg ik zorgzaam bloemen bij je neer
wel gauw graag, anders word ik stapelgek




Het jaar was om en als gewoonlijk blijven schaapjes binnen.
Een watertje, wat gras; men praat genoeglijk met het vee.
Wat heerlijk om het nieuwe jaar eens rustig te beginnen
Dat dacht het schaap Veronica vanmorgen bij de thee.

Zo niet de dames Groen; ze liepen hossend door de straten
En belden luidkeels juichend bij het arme schaapje aan.
“U gaat toch met ons mee naar zee? Nee, stil, hier helpt geen blaten,
We hebben hier een badpak en het zal u beeldig staan.”

Veronica verbleekte en haar lip begon te trillen:
“Ik hoef toch zeker niet…” maar voor ze uitgesproken was
begonnen onze dames haar al uit de jas te tillen,
en hesen haar in zwemgoed, mét oranje muts en das.

“De plaatselijke slager wil een centje bijverdienen,
Wij breiden alle logo’s in de sjaals tegen de kou.”
Het schaapje in de auto, ze begon van schrik te grienen.
“Ach gut,” susten de dames, “wees toch stil, tuttut, nounou.”

Ze kwamen bij het strand en met nog duizend and’re dieren
Stond daar het schaap Veronica te bibb’ren aan de kant.
De dames liepen half decent te joelen en te gieren
En schoten na het fluitsignaal vooruit over het zand.

De duik, dan warme chocomel en erwtensoep met worst;
Ons schaapje keerde huiswaarts met een koutje op de borst.
 
 
 
 
Ik vrees dat de berichten kloppen
Van vuurwerk word je langzaam dover
Maar om mijn oren dicht te stoppen
Heb ik te weinig vingers over






Ze kwam al langer dan zes weken niet uit bed,
haar benen weigerden het schriele lijf te torsen
en ook het eten ging niet meer zonder te morsen,
Haar eens zo scherpe geest verkeerde in verlet.

Toch bleef ze opgeruimd, haar ogen blonken pret
om kleine dingen waar ze zo van kon genieten.
En ook haar Wim kwam regelmatig op visite,
ondanks het feit dat hij reeds lang was bijgezet.

Op oudjaarmiddag zei ze ~ik doe nu een tuk,
ga maar naar huis, een fijne avond en tot morgen.
Alleen de poes, met straks dat vuurwerk, baart me zorgen.
Veel heil en zegen en een heleboel geluk.~

Die avond is ze op de lange reis gegaan,
in blind vertrouwen ~ik kom straks bij Willem aan~
het cijfer dertien is weer opgedoken
het liet zich honderd jaar niet aan ons zien
ik hoopte met de Maya’s dat misschien
de aardkloot voor zijn komst zou overkoken

het wachten is op rampspoed, crises, spoken
verval met alle narigheid van dien
ellende volgens vast en grof stramien
ik heb een nakend onheil reeds geroken

ik ben geen pessimist, maar mooie tijden
zijn nu volstrekt voltooid verleden tijd
er wachten wanhoop, leed en taaie strijd
mijn boodschap zal u zeker niet verblijden

ik vrees een loodzwaar jaar vol somber lijden
maar wens u uiteraard veel vrolijkheid




Op de blogsite van Daan de Ligt is zijn bundel 'Negenenvijftig!' als e-book te downloaden, gratis nota bene.

 

Kan een vrouw haar kind vergeten?

Zou dat uitgesloten zijn?

 

Als het niets van haar wil weten

kan een vrouw haar kind vergeten:

 

en ook later aan de Lethe,

oud van dagen, leeg van brein

kan een vrouw haar kind vergeten.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Polder

treinruit
 
Het is hier nogal droef en grauw
Terwijl men zegt: het is zo prachtig
Geen groen te zien, geen spoortje blauw
Wel zijn de koeien loeiend drachtig
 
Ik dender door het duister voort
Herken de polder slechts aan gassen
Heb de NS dus aangespoord
Om toch die ramen eens te wassen