al jaren trekken Wij van Willem Drees
op vorstelijke vleugels vloog de tijd
dan komt de dag, ook voor de majesteit
dat zij kan zeggen: basta ... klaar is Kees
mijn jongen, heb geen last van hoogtevrees
je pad heb ik met liefde geplaveid
na 45 jaar geborgenheid
mag jij beginnen aan je eigen race
vertrek nu uit het dorpse Wassenaar
en laat de Spelen en het water glippen
het wordt nu tijd voor hogere begrippen
verhuis naar Huis ten Bosch, word Hagenaar
er wacht een zware taak, ziehier de schaar
om koninklijk de linten door te knippen
Het dooit, de ergste koude is geleden,
de weerman schuift de vorstgrens wat opzij.
Mijn voeten komen langzaamaan weer bij
en willen nu de grasmat weer betreden.
Er worden nu geen schaatsen meer gereden.
Met zachte warme regen keert het tij;
weg is de trek in ijs- of sneeuwbalvrij
of in een tocht langs meren of elf steden.
De sneeuw verdwijnt, ik ploeter door de plassen,
mijn hond schudt dikke druppels uit haar vacht
en kijkt me aan terwijl haar snorren druipen.
Ik dacht haar op een uitje te verrassen
doch twijfel nu; ik weet niet wat ik dacht…
Het wordt weer tijd terug in bed te kruipen.
een berg en winter, kou en wind, verdwaald
de avond valt en nergens brandt een licht
geen huis, geen boerenstulp is binnen zicht
je moet toch wat, dus heb ik blad gehaald
van blad en tak heb ik een bed gespreid
een nacht zo koud, dat overleef ik niet
het zal een vos zijn die mijn lichaam ziet
maar niemand hoort mij zeggen dat ik lijd
hier stralen sterren groot als wagenwielen
die pracht maakt zelfs dit koude sterven goed
en straks begroet ik lang gemiste zielen
helaas, want sterven komt er nog niet van
ik moet weer door met nieuwe levensmoed
de zon komt op bij Puerto de Mogan
Hij is gegarandeerd de Frieste aller Friezen.
Hij heeft een hoog ontwikkeld heitelandsgevoel,
met de Elfstedentocht als enig levensdoel
en als die komt, wil hij die zeker niet verliezen.
Dus traint hij dagelijks en schaatst zijn vele baantjes,
vermijdt met zorg wat slecht en overbodig is
en eet en drinkt nauwkeurig dat wat nodig is:
het roggebrood van mem en melk en veel banaantjes.
Haast elke nacht droomt hij van Sneek en IJlst en Sloten
en van het laatste rechte stuk na Bartlehiem,
met zijn publiek als kloppend hart onder de riem
en in zijn droom wint hij als grootste aller groten.
En hoort hij rond hem droge hoest en natte niezen,
dan kijkt hij stil doch opgefokt naar het journaal
in grote spanning wachtend op het weerverhaal;
gaat het nu eindelijk een keer voldoende vriezen?
Want onze Tjibbe kent maar één zaak in het leven:
(misschien een klein gevolg van een familiekwaal),
hij wacht in sterk verlangen op maar één signaal
dat eindelijk weerklinkt in Friesland: it sil heve!
En Tjibbe rijdt gezwind van Sneek naar IJlst naar Sloten.
Men juicht hem luide toe met frisse Friese stem.
Hij eet zijn roggebroodjes, ingepakt door mem
en Tjibbe wint! Hij is de grootste aller groten.
De Bonkevaart, tv, de finish, al die mensen,
het hele Friese leven draait alleen om hem.
Hij krijgt een kus van Máxima en ook van mem,
nee, onze held weet niet wat hij zich meer kan wensen.
De burgemeester komt hem plechtig onderscheiden,
het volk gaat uit zijn dak en juicht hem luide toe
en Tjibbe neemt dan het besluit, al is hij moe,
om voor zijn volk een ereronde te gaan rijden.
Maar, Tjibbe rijdt na Sneek per ongeluk naar Roden.
Het duister en vermoeidheid slaan nu moordend toe.
Hij struikelt, valt en sterft heel eenzaam naast een koe
en zo wordt Tjibbe dan de doodste aller doden.
Het heeft weer een paar dagen flink gevroren
Sensatiemakers vinden weer emplooi
Het hele land valt aan die kul ten prooi
Want ach, die tocht is toch zo wondermooi
Voor schaatsen klinken enkel metaforen
Ze heten 'ijzers' 'nooitgedagts' en 'noren'
Het Volk wordt Eén door dit sportief toernooi
Goddank wordt er gesproken over dooi
De Berenburg die kan me wel bekoren
Maar verder? Wat een nare, koude zooi!
Ik droom van zout tot aan het ochtendgloren
Waarmee ik dan heel Friesland onderstrooi
Gelukkig is de tocht wéér doodgeboren:
De leden van de schaatsersclub Het Wak
Verkneukelden zich bij de weersverwachting
Ze gingen hoegenaamd zelfs uit hun dak
Met het vooruitzicht op hun sportbetrachting
Hoe lang hadden ze al geen schaats gereden ?
Maar ja. Al na een tweede overnachting
Te vroeg dus, hebben zij het meer betreden
Het nog fragiele ijs zei daarop krak
Geen pretje hoor, zo’n griep onder de leden
(Aquarel Br. Vincentius, de schaatser symboliseert Christus)
De ruitenwissers zwaaien heen en weer
En vegen vlokken tot een kleffe vacht
Het dashboard gloeit een knusse atmosfeer
De stralers keilen kegels in de nacht
Dan staat hij in de troonzaal voor de Heer
’t Was gladder op de weg dan dat hij dacht
Het lijkt ons eigenlijk nog kort geleden.
Ik weet precies nog wat ik die dag dee:
Het vroege opstaan was één keer oké;
We zaten ’s morgens vroeg in het café.
Toen werden speculaties nog vermeden.
We konden de kliniek nog niet betreden,
Het wachten was nog op de laatste wee.
Nog even wachten en dan word je twee
Verlossend woord, verhoor onzer gebeden
Een kort bericht: hier kunnen we wat mee.
“Vandaag, in deze zuidelijke stede,
Maakt Amy een verpletterend entree!”
Het lijkt ons allen nog zo kort geleden…
Ruim veertig jaar geen dag aan haar gedacht
(Haar zelfs, zo leek het wel, gewoon vergeten)
Merk ik hoe zij steeds in mij heeft gezeten
En al die tijd geduldig heeft gewacht.
Ik las de krant terwijl ik zat te eten
En zag haar naam, werd van mijn stuk gebracht
Want uit het niets kwam ik zo iets te weten
Wat leidde tot een korte jammerklacht.
Als kind heb ik ooit veel van haar gehouden.
Ze deed er in mijn jonge jaren toe,
Nog meer zelfs dan de clown met wie ze trouwde.
Ik lachte als hun liedje kwam en hoe
Totdat mijn aandacht op den duur verflauwde
Maar door haar dood denk ik aan Mamaloe
Het regent en de dagen blijven duister.
De wereld, in een nevel, o, wat grauw!
Het leven mist zijn vaart en kent geen luister,
De neuzen nat, de kelen voelen rauw.
Wat haken wij nu naar wat hemels blauw.
Wat zon, wat warmte, lijkt ons zoveel juister.
Wat haten wij dat nat, die waterkou:
Ons ongenoegen klinkt steeds ongekuister.
’t Verlangen blijft voorlopig onvervuld.
De maanden melden zich in vast gelid;
De regen zal nog heel wat weken dreinen.
’t Is tijd voor hete grogs en warme wijnen,
Het lichaam lijdt aan stijfte, jicht en spit.
Er zit niets anders op dan veel geduld…
Wanneer ik ’s avonds met mijn jongeheer
de Oude Zijde van de stad bewandel,
dan zie ik ogen groot als een amandel.
Mijn hart gaat als een mitrailleur tekeer.
Ze komt niet uit Den Helder of Den Andel.
Ze is geboren bij het Baikalmeer,
waaruit ik aangeslagen concludeer,
dat ik getuige ben van vrouwenhandel.
Ik sta versteend. Wat kan ik hieraan doen?
Hoe krijg ik haar weer thuis, terug naar het oosten?
Moet ik naar burgemeester Van der Laan?
Eén actie slechts getuigt van goed fatsoen:
haar voor een klein bedrag een beetje troosten,
dan hebben wij er allebei wat aan.
Ze was mij vreemd, maar welbeschouwd Meteen al eigen en vertrouwd Als Zomergast Ze klonk niet droog of cerebraal Haar leerstof vormde met haar taal Een groot contrast
Wiskundig ben ik nooit geweest: Te talig, teveel alfa-geest… Het deerde niet In mijn oog nergens wankelend Besprak zij fris en sprankelend Haar vakgebied
Aanstekelijk zoals zij sprak Haar passie voel ik op dat vlak Volkomen aan Daar is geen woord Swahili bij Al is de halve strekking mij Zowat ontgaan
(Voor de vorige Zomergastgedichten moet je even de link van Ko aanklikken onder aan de pagina)