Mijn god, mijn god, wat voel ik mij verlaten
Ik weet hier heg noch steg, waar moet ik heen?
Die hele Via loop ik zielsalleen
En niemand om wat Aramees te praten
Hoezeer ik vraag – wie wil mij begeleiden
De lange weg van hof naar Golgotha –
Met vloekt mij uit en wijst mij lachend na
Een paria, een christenhond, een heiden
Wie helpt mij om het zware kruis te dragen
Noch Simon noch Veronica staan klaar
Wel marktlui in een schreeuwende bazaar
Die voor hun diensten zilverlingen vragen
Wat ik ook vraag; er wordt luidkeels gezwegen
Het wordt weer tijd het tempelplein te vegen
De Via Dolorosa ooit gelopen
met Grieken en Japanners, samen op.
Een half uur later boven aan de top
waar Jezus stierf en ik maar blijven hopen.
Wat daar mijn ogen zagen deed me schrikken:
slechts handelaren in een pij verkleed
probeerden uit ’t voorhanden mens’lijk leed
het allergoudste graantje mee te pikken.
Genezing was er onbeperkt te koop,
van smeersels tegen jicht en dat soort kwalen
tot water op het hoofd, vanwege kalen
en tegen kanker pillen valse hoop.
Het stierf de dievenmoord van de negotie,
maar Jezus was er niet, laat staan devotie.
Ach, voor mij geen doornenkroon
hadt ge hoeven dragen, Heer
Zet u liever weer gewoon
bij uw leerlingen terneer
waar van wingerdschaduw koelte
hoedt uw voorhoofd voor de zoelte
van woestijnen
en waar kleine
kinderen zijn om mee te spelen
mocht het leren u vervelen
Kunt ge het niet overdoen?
Uit uw hoge hemelhuis
doodbliksemen dat gespuis
dat u nagelde aan ’t kruis
en weer, wandelend zoals toen
hier en daar een wonder doen?
Hadt ge ’t onverdiende lijden
Heer, niet beter kunnen mijden?
Echt, het had voor ons soort boeven
niet gehoeven
Heer
Had niet, dwarrelend door de eeuwen
’t troostend woord zacht kunnen sneeuwen
evenzeer?
Paul Ilegems, die voor Het vrije vers heel Vlaanderen voor zijn rekening neemt, schreef in 1984 de volgende parafrase op 'Het mooiste meisje van de klas" van Driek van Wissen dat hierbij aan de vergetelheid wordt ontrukt:
Lager onderwijs
De klas zit stil over een taak gebogen.
De meester, door haar prille vlijt bewogen
Staat bij het mooiste meisje, honds verliefd
En kijkt over haar schouder, ingetogen
(Maar ook wat steels - 't wordt zo gauw rondgebriefd)
En fel genietend peinst hij: 'Asjeblieft!
Een groter cupje zou hier al wel mogen
Zo'n wijfje reeds,' en voelt zich zeer ontriefd.
Verlangen doet zijn zelfcensuur verslappen.
Hij fluistert binnensmonds een ruwe vloek
En even prangend als zijn onderbroek
Wordt deze vraag, die hem naar lucht doet happen:
'Hoe is ze 't geilst, langs achter of langs voor?'
Helaas, alleen zijn woord dringt tot haar door.
Voor het origineel en de poëtische reactie van Driek van Wissen
In het Belgische Humo verscheen in 1986 een serie over kinderleed. De redactie verzocht Drs. P het introductievers te maken dat in de vorm van deze ballade verscheen in het nummer van 11 augustus, vergezeld van het portret van een aandoenlijk kereltje in lederhosen met bekende gelaatstrekken:
De boodschap van HUMO was zeer expliciet :
De markt heeft nog ruimte voor meer exemplaren
Al hebben we reeds een gigantisch debiet
We zetten nu alles op haren en snaren
En zoeken een middel om opzien te baren —
Doeltreffend, oorspronkelijk, hard als graniet
(Onnodig ditmaal om gevoelens te sparen)
Dus zend ons een stuk over kinderverdriet
Het kinderverdriet van Geertruida of Piet
Daar hoeven we ons niet zo blind op te staren
Wellicht bij de nonnen zéro de conduits
Of pijnlijk vermaan bij de Paters Tartaren
Voortijdig contact met cognac of sigaren
Verlies van een teddybeer, oog of parkiet
En nepleveranties van drughandelaren —
Banale gevallen van kinderverdriet
Mijn smart daarentegen was geenszins gratuit
Ik denk aan mijn ouders, die weerwolven waren
Mijn broer de nudist (en daarbij travestiet)
Mijn zuster, gebezigd door 9 huzaren
Mijn lievelingskreeft — ai, nog voel ik zijn scharen —
Mijn schoolvriend, geraakt door een meteoriet...
Gelet op het voorgaande, valt te verklaren
Hoezeer ik geneigd was tot kinderverdriet
O lezers, de tranen die U thans vergiet
Zij kunnen in bitterheid niet evenaren
Wat ik heb vergoten in vroegere jaren
Het vloeibaar product van mijn kinderverdriet
Je zonlicht splijt het wolkendek in twee
Je wilt je warmte overal verspreiden
Je kleurt de wereld groen voor boer en vee
die heel de lange winter jou verbeidden
Hoe zeer je ook een ieder kunt verblijden
ik weet, er is verandering op til
Dan breng je kou en hagelwitte weiden
Je bent April
Soms ben je vriend’lijk als de zomerzee
waarop het zonlicht danst en bootjes glijden
Maar plotseling heerst noodweer op de ree
met winden die door zeil en ziel heen snijden
Een scheepsramp lijkt al niet meer te vermijden
maar dan opeens is alles ijzig stil
Ik zie je waardig op de kade schrijden
Je bent April
Soms voer je mij heel zachtjes met je mee
Jouw lichaam en jouw levenslust verleiden
Ik ben verbaasd, verbijsterd en gedwee
Ik laat me van mijn laatste schroom bevrijden
Toch ben ik heus niet altijd te benijden
Je hoongelach versmoort je liefdesgil
Ik weet dat wij heldhaftig zullen strijden
Je bent April
Prinses van goede en van slechte tijden
Je bent mijn wispeltuur en levensspil
Ik ken je witte en je zwarte zijden
Je bent April
Hoewel hij ruim voldeed aan de prestatienorm
Was het de trainer die, al na een week of tien,
Ten slotte koos voor een behoudender stramien
Zie daar, de opmaat voor een turbulente storm
Want “Rem” beschouwde zich nu juist als een artiest
En niet een simpel te bespelen marionet
‘Zo’n rol als goaltjesdief beperkt me tot en met,
’t Is tijd om te verkassen’, klonk het koel maar triest
Daarbij kwam nog hetgeen hij daar in Alphen miste
De weidsheid van het boerenland, de geur van mest
En ja, natuurlijk ook zijn Labbertongse maten
‘Dàg “Zerk en Tranen” met je autovrije straten
Dàg Ridderhof en nog een welgemeend protest
Tegen de onvermijdelijke ramptoeristen’
Thuis van een wandeling.
Zo in de lappenmand.
Huiduitslag, zwellingen,
God wat een jeuk.
Die liep ik op van een
eikenprocessierups
die zich verscholen had
achter een beuk..
En hiermee wint Koos de grote Catharina Blaauwendraad eikenprocessierupsollekebollekewedstrijd. Hoera! Koos hecht er belang aan te melden dat hij het gedicht met enige hulp van 'het forum' heeft geschreven. Of hij de Lebkuchen deelt is nog onbekend.
Je kon het lezen op full colour raambiljetten De thuisclub na een gouden wissel stukken beter
Ons dorpje maakt met Roozenwater korte metten
Het slangenmens bewijst zich in de zestien meter
De hooligans van Labbertong, nou ja, de nette
Trakteerden alle kroegbezoekers op een biertje
Maar gaven aan om heel goed op te blijven letten
Want iemand zag bij Remko iets van een maniertje
Te laat! ’t Omhoog getilde schaap begon te blaten
Dat je sportief gezien al gauw een grote bent
Wanneer je wordt gehaald door Alphen aan den Rijn
Vanuit de Porsche riep het naar zijn oude maten
Ach ja, het is gewoon een kwestie van talent
Succes jullie met lening en betaaltermijn
Vermorzel alle ongevraagde zinnen,
de woordbrij die ik van het leven kreeg.
Ze brengen onrust in mijn hoofd teweeg,
een stormloop op mijn transen en mijn tinnen.
Hij sloop heel ongemerkt bij mij naar binnen,
de klankenkliek die sindsdien nimmer zweeg.
Vermorzel alle ongevraagde zinnen,
de woordbrij die ik van het leven kreeg.
Ach, kon mijn moede hoofd opnieuw beginnen,
dan was mijn bovenkamer stil en leeg,
beloftevol als ongerezen deeg,
en smetteloos als versgesteven linnen.
Vermorzel alle ongevraagde zinnen.
Twee grinnikende en gespierde knapen,
Die zij aan zij de toegangspoort blokkeerden
Der wetenschap; mijn leraren beweerden
Gewoonlijk dat ik altijd zat te slapen.
Wat wisten zij van die twee valse apen,
Die onvermoeid mijn hersenen frustreerden;
Mijn proefwerken krachtdadig molesteerden?
Ze leken door de duivel zelf geschapen.
Als Cosinus en Sinus niet bestonden,
Dan was ik nu een Doctor of een Dra.
Dan had ik wél het buskruit uitgevonden.
Vaak denk ik (en vandaar dat ik besta):
“Wat waren jullie toch voor vuile honden?”
Maar nooit komt het verlossende “Aha!”
Naam: Pierre Bellemans Bijnaam: onbekend Nationaliteit: Belgisch Geboren: 20 januari 1949 Gooik, België Overleden: 12 september 1972 Gooik, België
Naam: Marc Demeyer Bijnaam: De Reus van Outrye Nationaliteit: Belgisch Geboren: 19 april 1950 Avelgem, België Overleden: 20 januari 1982 Merelbeke, België
Naam: Ludo Vanderlinden Bijnaam: onbekend Nationaliteit: Belgisch Geboren: 27 januari 1951 Herentals, België Overleden: 14 december 1983 Lier, België
Naam: Louis Vereydt Bijnaam: onbekend Nationaliteit: Belgisch Geboren: 25 november 1950 Noorderwijk, België Overleden: 13 augustus 1977 Herentals, België
Op 2 september 1971 winnen vier onbekende Belgische amateurs in Mendrisio de wereldtitel op de 100 kilometer-ploegentijdrit. De Nederlandse ploeg, met onder andere Fedor den Hertog de belangrijkste kanshebber, delft met een achterstand van 1’ 38’’ het onderspit. Een jaar later overlijdt Pierre Bellemans, een van de Belgische reserves, op 23-jarige leeftijd aan een hartstilstand. Helaas zal het daar niet bij blijven.
Aftelversje
Ze hadden heel de wereld klop gegeven en lazen Holland nou eens mooi de les: vier Belgen, inclusief reserves zeven.
Een heeft maar kort plezier van het succes: Pierre Bellemans. Zijn levenloze lijf vond men in bed. Toen waren er nog zes.
Dan sneuvelt in dit bikkelhard bedrijf Louis Verreydt. Zijn hart had op papier nog vijftig jaar. Toen waren er nog vijf.
Een nieuwe prooi in Knekelman’s vizier: Demeyer, Marc stapt af. Bij autopsie bleek hartstilstand. Toen waren er nog vier.
En Ludo Vanderlinden? Ook fini. Zijn hart. What else? Nu zijn er dus nog drie.
Dat zij na een minuut of twee al achterstonden
Door onbenullig vrije ruimte te doneren
Leek vooralsnog het clubje eens zo jonge honden
Van F.C. Labbertong niet in het minst te deren
Toen hun rivaal al rap de tweede liet noteren
En ook de derde viel in luttele seconden
Werd luid gescholden op de bloedeloze heren
Die het vertrouwen van de eigen aanhang schonden
Op de tribune zong men zich de kelen schor
Men smeekte om een changement van het decor
En ja, daar was hij, Remko, met zijn lichte tred
Hij sloopte vier keer de defensie van die ‘ratten’
Zie daar, het wonder van een droom in het sonnet
Je mag de kracht van een poëet niet onderschatten
(Lobbertang: versvorm waarbij alle rijmwoorden bestaan uit letters, voorkomend in het laatste woord, dat tevens een anagram van het eerste rijmwoord moet zijn. Bedacht door Drs. P)
Naam: Gerrie Kneteman Bijnaam: de Kneet Nationaliteit: Nederlands Geboren: 6 maart 1951, Amsterdam, Nederland Overleden: 2 november 2004, Bergen (Noord-Holland), Nederland
Een lange erelijst. Kneteman wint vier keer de Ronde van Nederland. In 1978 wordt hij wereldkampioen bij de profs op de Nürburgring. Hij wint Parijs-Nice, de Ruta del Sol, de Ronde van de Middellandse Zee en de Ronde van België. Twee keer schrijft hij de Amstel Gold Race op zijn naam. Hij is acht dagen de gele truidrager in de Tour de France. Rijdt de Tour dertien keer en wint daarin tien (10!) etappes. In 1983 komt hij ten val in Dwars door België. Voor zijn leven wordt gevreesd. Na revalidatie keert hij toch nog terug in het peloton. En wint dan in 1985 voor de tweede keer de Amstel Gold Race. Behalve door zijn successen wordt hij bekend om zijn gevatte vernieuwingen van het wielerjargon.
Gerrie Kneteman
Van Moser won je in een sprint-à-deux. Je ging, zei je, voor dood of gladiolen. Vernieuwer van het wielertaalmilieu:
“Ze reden uitgewoond met open holen”, en als je hen het snot voor ogen reed, dan “harkten zij in waaiers van mongolen”.
Ze noemden jou gekscherend onze Kneet. De clown en filosoof van ’t peloton, die niet gespaard werd voor groot wielerleed.
Een auto die je niet vermijden kon, maar dat jij je daarna weer oversteeg toen je – hersteld – nog die klassieker won.
Jouw laatste vlucht bracht hier nog veel te weeg. Je ging te vroeg. Dik vijftig en je zweeg.