Billy the Kid
Wikimedia.Commons
 
Ik schets u het leven van Billy the Kid
De jongen was goed voor een twintigtal moorden
Hij was dan ook ‘Wanted’ in talloze oorden
Nou ja, u begrijpt wel, het ventje had pit
 
Een loopbaan als deze dient tijdig gestart
Het liegen en stelen dat lukte al aardig
En ook de revolver hanteerde hij vaardig
Hij schoot op zijn twaalfde een man door het hart
 
Hij werd op het stelen van kleding betrapt
En moest het cachot in, dat zou hem wel leren
Maar denk nu maar niet dat dat hem iets kon deren
Hij is toen gewoon door de schoorsteen ontsnapt
 
Een leven van vluchten lag in het verschiet
Hij ripte het leger, stal zadels en knollen
Hij werd weer gesnapt maar opnieuw, zonder dollen,
Vermocht hij te drossen, die sluwe bandiet
 
De veeboer John Tunstall gaf Billy een baan
En dus leek het tij zich ten goede te keren
Tot aan het moment dat afgunstige heren
De ranch overvielen, toen was het gedaan
 
Want Billy zwoer wraak, hij vermoordde het stel
Men vormde een posse om Billy te vatten
Old Sheriff Bill Brady was een van die ratten
Maar Billy zond Brady subiet naar de hel
 
Er werd nu een dot van een premie beloofd
Voor wie onze held in de tang wist te nemen
Ach god nog aan toe, o wat had ie problemen
Als rat in de val en een prijs op z’n hoofd
 
Hij werd toen gepakt, voor de rechter geleid
Die oordeelde grif dat ‘the outlaw’ moest hangen
En tot dat moment bleef hij stevig gevangen
Welnu, zult u denken, dat werd wel eens tijd
 
Maar Billy ontsnapte, geloof het of niet
Zijn beide bewakers benam hij het leven
Hij stal rap een merrie, je zag hem nog even
En dan was hij foetsie tot veler verdriet
 
Een ‘oldtimer’ zag hoe hij allen ontvlood
The Kid stoof de stad uit, geheel ongeschonden
Hij vond ook een schuilplaats, maar werd toch gevonden
Pat Garrett die zag hem en dat werd zijn dood
 
Maar net eenentwintig en dan al gesneefd
The Kid ligt nu tussen twee vrienden begraven
Hij heeft nooit behoord tot de wereld der braven
Maar godallemachtig wat heeft ie geleefd
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Een kruisweg van alledaags leed

 



‘Hé Bas.’
‘Ja.’
‘Weet je wat ik denk dat nog nooit in de geschiedenis van de mensheid gedaan is?’
‘Nou?’
‘Een sonnettenkransenkrans. Een sonnettenkrans van sonnettenkransen.’
‘Dat is een behoorlijk absurd en megalomaan plan. Gedoemd om te mislukken. Wanneer beginnen we?’

Een paar weken terug vond dit gesprek plaats op het kantoor waar ik samen met Bas Jongenelen werk. Hij promoveert er op humor in de middeleeuwse literatuur in 1561, ik schrijf er mijn verhalen. We begonnen met rekenen en tellen – is het überhaupt mogelijk een sonnettenkrans van sonnettenkransen te schrijven? [Ja, het is mogelijk] Hoeveel sonnetten móeten we dan wel niet schrijven? [196] en zijn er wel genoeg rijmklanken in de Nederlandse taal om het tot een mooi en spannend vormast spektakelstuk te maken? [Ja. Maar makkelijk wordt het niet].
Na twee weken tekenen, tellen en opnieuw beginnen hebben we het hele plan in kaart gebracht en zijn we gaan schrijven. Daarbij kregen we wat hulp van bevriende dichters (onder anderen: Peter Knipmeijer, Jaap van den Born, Rosanne Hertzberger, J.A. Dér Mouw en Jeroen Kant). We schreven tot op heden 44 sonnetten. Nog 152 te gaan.



De kransenkrans

In het kort komt het hierop neer: een sonnet is een gedicht van veertien regels, met een bepaald rijmschema [in ons geval voornamelijk abba abba cde cde], een bepaald ritme [in ons geval vijfvoetig jambe] en een wending na de 8e regel. Een sonnettenkrans bestaat uit 14 opeenvolgende sonnetten waarbij de laatste regel van het eerste sonnet de eerste van het tweede is. De laatste regel van het tweede is de eerste van de derde – en zo verder, tot en met het veertiende sonnet, waarvan de laatste regel weer de eerste is van het eerste sonnet. Daarnaast moeten alle veertien laatste regels weer een kloppend vijftiende sonnet opleveren. Wederom in dat vooraf vastgelegde rijmschema.

Dus wanneer een mens veertien sonnettenkransen schrijft, krijgt hij veertien (vijftiende) sonnetten die opgebouwd zijn uit de veertien ‘basissonnetten’. Die veertien sonnetten moeten op hun beurt ook weer samen een sonnettenkrans opleveren – en dáár moet dan ook weer een kloppend vijftiende sonnet uit komen. Nooit eerder in de geschiedenis van de Nederlandse literatuur werd er een sonnettenkransenkrans geschreven. Wij begrijpen waarom. 

Een kruisweg van alledaags leed

De titel van de kransenkrans wordt Een kruisweg van alledaags leed waarin de veertien sonnettenkransen samen de veertien staties vormen. Staties van alledaags leed met als ‘fysieke ongemakken’, ‘problemen rond eten en drinken’, ‘Klusjes om en rond het huis’, ‘het debacle dat vriendschap heet’ en ‘teleurstelling in de liefde’. Een op-en-top vrolijke bundeling van gedichten, begrijpt u wel. Later, uiteraard, meer hierover.

Ps. Vooruit. Nu we er toch zijn, een voorbeeldje:

Mijn werkster geeft zichzelve zelden bloot:
Zij kent de onderkant van kast en le-
dikant, maar ook de kooi van Faraday?
Ze zingt wel psalmen als een idioot.

Ik dreigde met de ure van haar dood:
‘Nu stop met zingen en maak schoon die plee!’
‘De profundis clamavi, Domine,’
Zong zij haar psalm en zij gedroeg zich groot.

Ruwhouten planken en vergeten kieren,
(want zij behoort al kruipend tot de dieren)
en koeienmest, die kent zij ook geheid.

Ik ging naar Bommel om de brug te zien,
maar toen ik thuiskwam, was zij weg, die Trien.
’k Ben Brahman, maar we zitten zonder meid.

– Bas Jongenelen

‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een’ge dat ik kan:
‘K gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;
Maar ‘k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.

Zij zegt, dat dat geen werk is voor een man.
En ‘k voel me hulp’loos en vol zelfverwijt,
Als zij mijn lang verwende onpraktischheid
Verwent met wat ze toverde in de pan.

En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt
Tot feeërie van wereld, kunst en weten:
Als zij me geeft mijn bordje havermout,

En ‘k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,
Dan voel ik éénzelfde adoratie branden
voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.

– JA Dèr Mouw

Voor Zon, Bach, Kant en haar vereelte handen
ben ik bereid om heel erg ver te gaan
Ik laat mijn voorgenomen klussen staan
Zou zo mijn hele huis en haard verpanden

Maar’k zou van regen in de drup belanden
Want, hoe, mijn god, begint een mens daaraan?
Het moet gezegd: de was moet ook gedaan.
Huishoudelijke plicht mag niet verzanden…

Voor haar vereelte handen, Kant, Zon, Bach,
wil ik echt héél ver gaan, zoals u weet!
Ach nee: da’s overdreven stoere praat…

Dus verf ik plinten, adem diep en lach
Want ferme taal is niet aan mij besteed –
Ik ben nu eenmaal zuiver op de graat

– Martijn Neggers