Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

We zoeven allen van de berg omlaag
En op een dag (dat geldt ook voor ons allen)
Dan zullen wij al dalend pijnlijk vallen.

Dat kan al morgen zijn of zelfs vandaag.


De tijd gaat slechts in schijn soms even traag
Om daarna weer full speed vooruit te knallen,
Een blinde haast die levens kan vergallen.
Waarom? Dat is geen relevante vraag.

Geen herder die ons door het leven leidt.

Een god die ons beschermen kan, een heiland,
Is slechts wat men geloven wil, geen feit.

Er is voor ieder op dit ondermaanse eiland
Niet meer dan de hem toegemeten tijd
En die bleek plots voorbij voor Wouter Weylandt.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De Snavelstaart

Lang had de Snavelstaart gewacht
en stil had hij gezwegen;
aan sproeten had hij nooit gedacht,
toch heeft hij ze gekregen.
 
Wat is de Zin? zo peinsde hij.
Waarom kreeg ik geen voeten
of vleugels, maar voorzag men mij
van honderddertien sproeten?

Hij pakte puur op zijn gevoel
zijn staartpunt in zijn snavel
en trok zijn hele buitenboel
naar binnen door zijn navel –
 
En floep! hij was een Suizebol,
vanbuiten vol, vanbinnen dol,
die door de ruimte tolde
 
tot hij in ’t sterrenstelsel Froen
getroffen door een zwerkbalschoen
een muizenhol in rolde.
 
Een eeuwigheid of tig miljard
gebeurde in dat zwarte gat
geen sikkepit, geen snars, geen spat.
 
Er moet Iets zijn dat mij dit flikt,
dacht hij. Het is Al voorbeschikt.
Er moet Iets... 
(enz.) – totdat:

 
Zwoesj! Froen vloog in een sterrenstorm
een bocht uit van de tijd;
prompt sprong hij in zijn oude vorm
van voor de sproetigheid.

(Een achterlijf van enkel staart,
als voorlijf slechts een snavel
en met daartussen uiteraard
die peilloos diepe navel.)

De Snavelstaart is terug bij af:
hij weet van niks en zwijgt.
Vandaag of morgen staat hij paf,
als hij weer sproeten krijgt.
 

Bundels