Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

“Zeg Kamerlid, waar heb je deze hele kerst gezeten?”
Noch Kurt noch Cor had hem gezien. “Waar ben je toch geweest?
We dachten even dat je door het virus was gebeten.
Dan was je kerst-oud-nieuwgevoel niet echt bepaald een feest.”
 
“O kamerlid,” zei Babcia toen, “mag ik je even spreken?
Je kan hier naast mij zitten want ik heb immoeniteit.
Waarom ontvingen wij van jou geen enkel levensteken?
Je was niet bij het kerstdiner, was dat bewust beleid?”
 
“Ik ben een beetje depressief. Het spijt me van het zwijgen.
Retraites zijn nu eenmaal stil; dat is met opzet zo.
Ik kon nog voor de week van kerst een bonusplaatsje krijgen.
Geen internet of telefoon, daar in dat Drents chateau.”
 
“Wij vinden een retraite een garantie voor verveling.
Alsof je zelf bewust in quarantaine bent gegaan.”
“Nee hoor, dat niet” zei ‘t kamerlid. “Ik was op zoek naar heling.
De non-dualiteit zorgt voor een struggle-vrij bestaan.”
 
“Dat klinkt soebliem”, zei babcia. “Waarom kijk je dan verdrietig?”
“Omdat het, babcia, handelt om een egoloze staat.
De eenheid kan alleen ontstaan als ik mijn ‘ik’ vernietig,
dus als ik mijn gevoel van ‘zelf’ voor eenwording verlaat.”
 
Inmiddels ging dit Kurt en Cor hun petten ver te boven.
Maar babcia zei: “Dat is goed plan. Wat is dan jouw probleem?”
“Ach babcia, ik zou zo graag in het eenheids-zijn geloven.
Het plan voor mijn memoires echter clasht met dat systeem.”
 
“Jouw ‘ik’”, zei babcia ferm, “heeft dat dilemma zelf gesmeed.
Neem nog een bordje zur*, voor je inwendige profeet.
 
* Zur [zjoer] is een traditionele Poolse soep op basis van gefermenteerd roggebrood, die veelal op kerstavond geserveerd wordt.
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Distel




De poëzie is uit mijn lijf gekropen:
te vaak te lang, te veel te laat gewerkt.
De werkstroom heeft het andere verzopen.
Het mooie in het leven werd bezerkt.

Een oogklep hield mijn wijde blik beperkt.
Op hol geslagen bleef ik verder lopen.
Ik heb het eigenlijk niet eens gemerkt.
Mijn brein stond voor geen and’re prikkel open,

totdat er tussen scheefgezakte tegels
een klein maar dapper puntje groen ontspruit,
een distel die zich opmaakt voor de bloei.

Ik weet het wel, ’t is tegen alle regels,
dit moet er met de voegenkrabber uit,
maar ik bedenk me tien keer voor ik snoei.