Een poes te Katwijk zei tevree:
ik word gediend door trouwe mensen,
ze zijn gehoorzaam en gedwee
en zij vervullen al mijn wensen.

Ze rieken wel een beetje raar
door al die rotzooi die ze bikken,
en hun gedrag is soms bizar,
vooral met vegers en met blikken.

Ze spelen ook teveel met water
en liggen heel de nacht in bed,
soms hindert mij hun dwaas gesnater,
en dat geboen op het parket.

van één ding word ik vreeslijk moe:
wat hébben zij toch met die deuren?
die doen ze bijna altijd toe!
daar wil ik wel eens over zeuren.

Soms lopen ze mijn drinkbak om
en moet ik hun muziek verdragen.
Afijn, ‘t zijn mensen, en dus dom.
Je moet er niet teveel aan vragen.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Samenwerkgedicht XXXII

hands
Pexels
 
Het spijt me, veel te lang heb ik gezwegen
Ik stik haast in dit zelfvoldane land
Een rode loper lonkt, een gouden regen
De hemel strooit zijn sterren aan de kant
 
Ik ben de bom, dit jaar ga ik het maken
Met wat men noemt mijn weergaloos talent
Het blijkt dat ik eenieder weet te raken
Als zonlicht in het kille firmament
 
Maar hoor ik nu geklets over kapsones?
Ik bén een wereldmeester op de fluit
Speel virtuoos op allerlei trombones
Ik moet hier weg, ik hou het niet meer uit
 
Een uitbraak uit dit hokkie is een makkie
Ik ben dan ook geen Tokkie maar een Taghi
 
 
Samenwerksonnet: Bart Adjudant, Frits Criens, Ben Hoogland, Hendrikje de Koning, monnhauser, Frans Woortmeijer
Twee regels komen uit de sonnettenkrans "De hemel strooit zijn sterren aan de kant", een ode aan het Zeeuwse landschap, door Bas Jongenelen & Anne-Marie Maartens:
- De hemel strooit zijn sterren aan de kant: meestersonnet, regel 4
- Ik moet hier weg, ik hou het niet meer uit: sonnet 7, regel 12