Passanten staar ik aan met matte blik
Al loop ik door dit grazig groene landschap
En voel ik met de Brabanders verwantschap
Toch tob ik vaak: waar bleef mijn ware ik

Ik sta hier lang te kauwen en herkauwen
En weet best dat ik nuttig ben als vee
(‘k Geef melk voor de consumptiemaatschappij)

Maar in mijn ziel voel ik geen pais en vree
Dit eng bestaan gaat me al meer benauwen
Het gras, het hek, de boer vaak onbehouwen

Ik leef toch niet alleen voor melkerij
Wat ik in wezen ben, telt hier niet mee
Als koe word ik geleefd, ik ben niet vrij

Ik ben niet vrij, passanten staar ik aan

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De dooievaar

dooievaar
 
 
Een witte veer waait op de wind,
Een zwarte veer drijft in de sloot.
Waar is de Dooievaar naartoe?
Waar zou hij zijn gebleven?

We vroegen het een Hagenaar.
Die zei: ‘Hè, is ie weg? Wat raar.’
We vroegen ’t een Egyptenaar.
Die zei: ‘Ik zag hem vorig jaar.’

We vroegen het een steunpilaar.
Die zei: ‘Het nest voelt minder zwaar.’
We vroegen het een makelaar.
Die zei: ‘Piekfijn en instapklaar.’

We vroegen het een weduwnaar.
Die zei: ‘Hij is nu vast bij haar.’
We vroegen het een moordenaar.
Die zei: ‘Zijn botjes liggen daar.’

We vroegen het een lepelaar.
Die zei: ‘Hij smaakte nergens naar.’
We vroegen het een leugenaar.
Die zei: ‘Daar is geen woord van waar.’

Soms zien we ergens even
een schaduw overzweven.
Waar is de Dooievaar naartoe?
Waar zou hij zijn gebleven?

We vroegen het een vogelaar.
Die zei: ‘Hou nou je snavel maar.’