Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

vreemdvolk
Pexels
 
Hun boeken zijn zo leeg als hun gedachten.
Hun aarde is niet rond, maar ronduit plat,
Geen zin, geen doel, alleen het zwarte gat.
Wat moet je van die gasten nog verwachten?
 
Och, wisten zij dat zij zich zo vergisten.
Geen vreemder volk dan dat van atheïsten.
 
I
Geen vreemder volk dan dat van atheïsten.
Zij veinzen ruim te denken met hun grap.
Bij nader inzien denkt men nogal krap,
waardoor zij telkens weer met rede twisten.
 
Hoewel hun volle zalen steevast lachten,
Hun boeken zijn zo leeg als hun gedachten.
 
II
Hun boeken zijn zo leeg als hun gedachten.
Met kerst aanbidden zij de boom en bal,
met pasen eet men ei in groot getal
die aangeklede hazen naar hen brachten.
 
Met vreten hebben zij zich afgemat.
Hun aarde is niet rond, maar ronduit plat.
 
III
Hun aarde is niet rond, maar ronduit plat.
Geleid door opdracht vol van slimme taal
die uitgezonden wordt rond het journaal
of lokkend beeld in een of ander blad,
 
vergooien zij hun geld in 't offervat.
Geen zin, geen doel, alleen het zwarte gat.
 
IV
Geen zin, geen doel, alleen het zwarte gat.
Wat anders kan het levenseind je bieden?
Want dood is dood, zo menen deze lieden,
dus leven nu het kan, wie maakt hen wat?
 
Met hoop dat roem het leed wat kan verzachten...
Wat moet je van die gasten nog verwachten?
 
V
Wat moet je van die gasten nog verwachten?
Zij lachen om het woord en het gebod.
Afwijkende geluiden wacht de spot
van hen die eigen grootspraak hoger achten.
 
De moslim wordt beschimpt en ook de christen…
Ach, wisten zij dat zij zich zo vergisten.
 
VI
Ach, wisten zij dat zij zich zo vergisten.
Hun feesten en hun offers zijn zo mal:
Niet vasten, maar wel los met carnaval;
een losgeslagen troep opportunisten.
 
Dus hoed u voor hun spot en voor hun listen:
geen vreemder volk dan dat van atheïsten.
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De S van Sjoerd

Sjoerd
Flickr.com
 
Die lange zomers aan de Oosterplas
Een leven zonder grote hindernissen
Altijd met vriendjes rustig aan het vissen
Op blote voeten door het droge gras
 
Behalve toen, met Sjoerd, dat rare joch
De chaos toen we luidkeels naar hem riepen
Hij bleef maar met zijn nieuwe hengel zwiepen
Het was een woensdagmiddag, weet ik nog
 
De zuster vond de weerhaak een gigant
Ze toonde ál m’n hechtingen; ik flipte
De woorden die haar toen spontaan ontglipten:
‘Die ‘S’ daar bij jouw oor is juist charmant!’
 
Zo’n dag dat je naar oude foto’s staart
En friemelt aan die ene bakkebaard