Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



Wanneer je hitsig bent geweest
Met een matrone, goed bevleesd
Dan komt het jeukende tempeest
Dat platluis heet
Hij wordt om één ding zeer gevreesd:
Zijn overbeet

Zoals matrozen aan de mast
Klampt hij zich aan je schaamhaar vast
En deze ongenode gast
Betaalt geen huur
Nee, voor zijn kriebeloverlast
Betaal jij duur

Dus ga je driftig in de weer
Met carboleum, zeep en teer
Al doet deze remedie zeer:
Men moet toch wat
Je maltraiteert je jongeheer
De zaak ligt plat

Met zalf tot aan je heiligbeen
Heb je dan weer het rijk alleen
Omdat de laatste neet verdween
Dan is het feest
Maar hou het feestgewoel bij één
Genoeg gebeest



Nou was deze dag bijna voorbijgegaan zonder dat we aandacht geschonken hadden aan de Schotse dichter Robert Burns (1759-1796), de naamgever van de Burns stanza, een versvorm zoals hierboven te lezen is.

En dat terwijl het vandaag zijn sterfdag is.
Zoals de scherpzinnige lezer al begrepen heeft bestaat een couplet uit 6 regels met het rijmschema aaabab, waarbij a viervoetig is en b tweevoetig.

Geen vorm om hysterisch van te worden, oké, en zelfs niet door Burns bedacht (het stond eerder bekend als standard Habbie, naar Habbie Simpson (1550-1620), de 'Piper of Kilbarchan') maar zeer populair gemaakt door Burns, die een voorliefde voor de dierenwereld had, zoals blijkt uit titels als To a Mouse en To a Louse, hoewel hij ook het leerzame To a Haggis schreef.
To a Louse (waarin hij zich 16 coupletten lang opwindt over het gedrag van een luis, die hij tijdens een kerkdienst waarnam op de hoed van een voor hem zittende dame) is wel zijn bekendste en om hem te eren schreef ik dus Op een platluis.
Het schrijven hiervan heeft helaas zoveel tijd in beslag genomen zie ik nu, dat zijn sterfdag tóch ongemerkt voorbijgegaan is en gisteren was.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Mijn tante Johanna



Mijn tante Johanna – God hebbe haar ziel –
Was dik in de tachtig toen zij nog beviel
‘Ja echt, ik voel leven’ zei tante ontdaan
En is toen terstond naar de huisarts gegaan

Die hoorde diep in haar omvangrijk postuur
Een hoogst onverklaarbaar geschuif en geschuur
‘Geen man en toch zwanger’ riep tante verheugd
‘Dit is de beloning voor kuisheid en deugd’

Zij was onbevlekt, als een non in een kluis
Voor vleselijk feesten gaf tante niet thuis
Geen vinger had ooit haar wellustig beroerd
In iedere man zag zij altijd een ploert

‘Moet ik mij ontkleden?’ vroeg tante benauwd
Híj was dan wel huisarts, maar zíj niet getrouwd
De dokter deed echter geen zwangerschapstest
Maar trok uit haar buikplooi een wandluizennest