Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

 

Ik ben euforisch en extatisch blij
Terwijl ik mij luid jubelend castreer
Ik doe dit met een weldoordachte reden

Ik offer voor de Heer mijn jongeheer
Omdat Hij aan Zijn kruis zo heeft geleden
Dus leef ik voortaan zedig, vroom en kuis

En wijd ik mij uitsluitend aan gebeden
Castraat te zijn, dat is niet echt een kruis
En daar komt nog een extra voordeel bij:

Zo zingt het ganse heidendom alom
Een toontje lager dan het christendom!


Romeinse Rijk, begin van de jaartelling.
Kuisheid staat hoog in het vaandel van het verse christendom. Helemaal de apostel Paulus vergeten, die zei dat je beter kon trouwen dan branden van geilheid.
In de Openbaring van Johannes wemelt het in de hemel dan ook van de castraten die een streepje voor hebben: 144.000 mannen die zichzelf met de citer begeleiden. Hij kan dus aan hun stem horen dat zij 'zich nooit met een vrouw bezoedeld hebben'. Hoe weet hij dat anders? Ze zullen in de hemel toch niet aan naaktloperij doen?
De fanatiekste christenen gaan over tot castratie om elke verleiding te weerstaan, zoals Justinus bewonderend beschrijft in de jaren 130.
Het loopt zo de spuigaten uit dat de Kerk zich gedwongen voelt op te treden en op het concilie van Nicea worden gecastreerden uitgesloten van het priesterschap.
Gezien de huidige schandalen in de Roomse Moederkerk is het wellicht een goed idee dat besluit terug te draaien

(uit Een hoop misbaar)

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De Vlabber & de Vlaar


 
Elke ochtend na het opstaan
staan de Vlabber en de Vlaar
met z’n tweeën voor de spiegel
en ze vragen aan elkaar:
‘Wie van ons was nou de Vlabber?’
 
Tja, daar staan ze dan te dubben
met hun harken in hun haar.
‘Heel de nacht alles onthouden
krijg ik echt niet voor elkaar!’
roept de Vlaar dan (of de Vlabber?).
 
En de ander antwoordt kriegel:
‘Even denken... Rustig maar!
Kijk, mijn kop lijkt op een zwabber
en mijn lijf lijkt op een schaar.
Dus dan ben ik vast de Vlabber.’
 
Elke avond voor ’t naar bed gaan
staart de Vlaar weer met de Vlabber
in diezelfde grote spiegel
en ze vragen aan elkaar:
‘Wie was ook al weer de Vlaar?’
 
Heel de dag alles onthouden
is voor hen een groot bezwaar
dus daar staan ze weer te dubben.
‘Jouw geheugen is belabberd!’
roept de Vlabber (of de Vlaar?).
 
En dan zegt de ander maar:
‘Kijk, mijn kop lijkt op een vlieger
en mijn lijf op een gitaar.
Volgens mij ben ik de Vlaar,
dan ben jij vanzelf de Vlabber.’
 
Tja, dan gaan ze maar weer slapen
en dan staan ze maar weer op
en ze koken hun rabarber
en ze roken hun sigaar
en dan zijn ze ’t wéér vergeten.
 
‘Maar dat kan ons mooi niks schelen’,
giechelt de verstrooide Vlabber
– of, wie weet, de suffe Vlaar?
 
(Uit Er zit een feest in mij, Querido’s Poëziespektakel 5, 2012)