Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent



Tien jaar geleden werd de blauwbilgorgel  65 jaar en dat ging niet onopgemerkt voorbij.
Er waren feestelijke toestanden en uitgeverij Liverse bracht een bundel uit met nieuwe gorgelrijmen, gemaakt door  een keur van plezierdichters.
Er verscheen zelfs een boek met de geschiedenis van het vers (Raban! Raban! Raban!) van Wim Huijser en Peter de Roos.

Het verhaal is bekend: begin 1943 schreef Buddingh’ het vers tijdens zijn verblijf in het sanatorium in Soest.
Maar nu de blauwbilgorgel dit jaar de leeftijd van 75 bereikt wordt het tijd eens stil te staan bij de vraag wanneer het voor het eerst gepubliceerd werd.
Daar wordt over gestreden: was het in het tijdschrift De schone zakdoek? Of was het eind 1944 in een illegaal gedrukte bundel met andere gorgelrijmen?
Het antwoord luidt: geen van beide.
Het verscheen voor het eerst in druk in het satirische nazi-tijdschrift De Gil.

Vreemd genoeg wordt deze publicatie gewoon vermeld bij de discussies, maar wordt gedaan of dit niet meetelt. Maar het is toch echt niet anders.
De schone zakdoek was een surrealistisch ‘tijdschrift’ waarvan maar één handgemaakt exemplaar bestond, geredigeerd door Theo van Baaren en Gertrude Pape. Bezoekers konden het bij Gertrude thuis inzien. Er werkten meerdere kunstenaars aan mee, maar sorry, dat is geen publicatie en geen tijdschrift.
Ook Buddingh’ noemde altijd het illegale boekje uit 1944 de eerste publicatie.
Maar dat was ná de publicatie in De Gil.
Hoe zit dat?

De Gil was een humoristisch tijdschrift dat zich voordeed als anti-Duits, maar vol zat met slimme nazi-propaganda. Erachter zat de Abteilung Activpropaganda en het werd vanaf het vierde nummer voornamelijk volgeschreven door W.M.H. van den Hout.
Beter bekend als Willem Waterman en Willy van der Heide (van de Bob Eversserie) en vader van de getalenteerde lightversedichter Paul van den Hout.
Op 15 september 1944 verscheen het nummer waarin Willem Waterman de beroemde  en door hem bedachte term ‘dolle dinsdag’ introduceerde.
En in datzelfde nummer stond ‘De blauwbilgorgel’.
Volgens De Gil ingezonden door ene ‘Charles’.
Hans Renders zegt hierover in een artikel in de dbnl: “Het zal altijd de vraag blijven in hoeverre Kees Buddingh' slachtoffer was van de onduidelijke positie van De  Gil of dat hij er gebruik van heeft gemaakt. Met een begeleidende brief, ondertekend met de naam Charles, stuurde hij zijn gedicht ‘De Blauwbilgorgel’ in. Hij kreeg er de Professor Gil-Prijs voor. Volgens Buddingh' zelf was zijn poëzie bij de Abteilung Aktivpropaganda terechtgekomen nadat de Gestapo een inval bij Jaap Romijn had gedaan, drukker van clandestiene boekjes in Utrecht.”



De suggestie dat Buddingh’ het zelf inzond lijkt vergezocht en er is geen bewijs voor. Deze ‘Charles’ schrijft in de begeleidende brief volledig in de stijl van Willem Waterman, dus dat hoeven we niet serieus te nemen.
De oproep in oktober 1944 in het radio-programma van De Gil aan de schrijver zich bekend te maken, om prijs en honorarium in ontvangst te nemen, doet vermoeden dat Willem Waterman ook niet wist wie de auteur was.
Hoe kwam hij dan aan het gedicht?
Die inval in die drukkerij? Daar zou het boekje gedrukt worden en werden de drukproeven in beslag genomen (en de twee drukkers doodgeschoten) en het zou pas later elders daadwerkelijk gedrukt worden. Maar dat de Gestapo ‘De blauwbilgorgel’ - wat niet meer dan een vreemd vers zou zijn in hun ogen -  zou doorspelen aan de Abteilung Aktivpropaganda klinkt tamelijk ongeloofwaardig en onzinnig. Het had niets anti- of pro-Duits.
De schrijvers van Raban! Raban! Raban! nemen dit wel aan en winden zich op over Willem Waterman, die over de rug van twee doodgeschoten drukkers propaganda bedreef.
Maar zijn eigen verklaring tegenover Adriaan Venema in 1978 klinkt plausibeler: “Ik heb de gedichten gekregen van Gabriël Smit. Die kwam ik in Hilversum in de radio-studio’s tegen. Heb jij misschien wat kopij voor De Gil? vroeg ik. Ja, hij had wel wat, zei hij en hij bezorgde me die gedichten”.

Gabriël Smit was een bekende en na de oorlog gevierde katholieke dichter. Dat hij Willem Waterman kende en op niet-onvriendschappelijke voet met hem omging was niet vreemd: hij was lid van de Kultuurkamer en verklikte niet-leden (die niet meer mochten optreden) die illegaal bij elkaar kwamen om hun werk voor te dragen, aan de Duitsers. Zelf liet hij illegaal boekjes van zichzelf drukken en kon na de oorlog claimen dat dat iets met het verzet te maken had en was dus aan alle kanten gedekt.

En hij was de man die voor De schone zakdoek als koerier optrad. Hij bezorgde het werk van de medewerkers bij Theo van Baaren en Gertrude Pape en kende dus de gorgelrijmen van Buddingh’ die daaraan meewerkte.
Toch aardig dat hij zijn naam niet verklapt heeft toen hij Willem Waterman dit kleine genoegen deed.
Maar hoe het zij: dat was de eerste publicatie. Het verklaart ook waarom de blauwbilgorgel zo snel populair werd in het hele land, want De Gil had een ongekend hoge oplage van 150.000.
En Willem Waterman had gelijk dat hij meteen zag dat het aan Lewis Caroll doet denken en niet aan Heine of Morgenstern, zoals vaak beweerd wordt.


Het hele artikel met de ingezonden brief van 'Charles' kun je hier lezen:






Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Beroepsrisico



Ik heb een brief op zak, een zware last,
Om namens de belasting mee te delen,
Dat ze failliet zijn, tot verdriet van velen,
Er is één troost, daar houd ik mij aan vast:

Gelukkig zijn, vóórdat ik ben gekomen,
De wilde dieren hun al afgenomen.

Koop koop koop