U was altijd zo lief en zacht voor mij
zo strelend, kussend, liggend op uw pij
uw handen waren zacht, uw lippen rood
en U begreep mijn zonden en mijn nood

al vroeg U wel een kleine wedergunst
met hand en mond alleen, geen grote kunst
maar later deed U mij soms hevig pijn,
dan moest ik maar een flinke jongen zijn

ik vreesde dat ik zo een zondaar was
maar, sprak U, die gedachte gaf geen pas
vertrouw op Gods genade was Uw wet
U gaf Uw woord, voor mij was Uw gebed

als Gods genade het vergeven heeft
vergiffenis de grootste zondaar geeft
dan mij toch zeker wel voor deze dag
waarop ik zondig ben, maar stralend lach

want, hoorde ik, u heeft geschreeuwd van schuld
gebruld waarom heeft God dit toch geduld
en hoe u stikkend, panisch voor de dood
in hoogste nood het aards bestaan ontvlood

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Tegenzet



een vrouw als ik, zo kien en fijnbesnaard
zal nooit een man op wrede wijze slaan

met woorden, zoetgevooisd en heel bedaard
krijg ik, hetgeen ik wens wel voor elkaar
ik zet hem op een voetstuk, langzaamaan

zijn ego groeit, een man zo trots van aard
laat ik niet naar de gallemiezen gaan
al staat een kind niet op zijn repertoire

ik biecht; die pil schat, heb ik weggedaan
hij grijnst; ik ben geholpen, halfweg maart



* schaduwvers, zie:http://www.lettertempel.nl/gedicht?storyid=35074