Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



KLAAR! zei het schaap Veronica. Dit vers noem ik: Ballonnen.
Van alles in mijn versjesschrift is dit het allermooist!
Nee maar! zeiden de dames Groen. Hoe kríjgt u het verzonnen?
Wat bent u toch gevoelig en begaafd en zoetgevooisd…

De dominee sprak: Mij kunt u vooreerst niet overtuigen
dat er in u daadwerkelijk Iets Zingt, Veronica.
Aan mijn sonnetten zou een Perk een puntje kunnen zuigen;
u rijmelt maar wat aan van hopsa falderaldera.

Bij volle maan bekruipt mij vaak de Drang tot declameren –
Ja gats! riepen de dames Groen. Die herrie op ’t balkon!
U dacht de coniferen ’s nachts daarmee te amuseren?
Die zijn ook aan wat rust toe, na een zomerdag vol zon!

Eilacie! kloeg de dominee. Wie schat mijn werk op waarde?
Als Onbegrepen Dichter word ik door het volk gehoond…
De Ware Kunst valt immer in ondankbaar dorre aarde
en menig poëtaster wordt met klatergoud beloond.

Wèh, snikte ’t schaap Veronica. Ik ga mijn schrift verscheuren,
ik maak er duizend snippers van en spoel ze door de plee!
Maar dat lieten de dames Groen natuurlijk niet gebeuren.
Ze snibden: Hebt u nou uw zin, meneer de dominee?

Voor een beginner dicht u toch wel aardig, gaf hij toe.
Wat dacht u van een sorbet, bij salon De Bonte Koe?


Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Zeemansliedje

Ik bad er dikwijls om maar werd nooit bader –
een kinderklomp is zomaar nog geen schoener –
ik was des duivels maar toch zelden Moener
dan hij die droogte treft als ware wader.

Bij welke daden noemt men mij een doener?
Wat deed ik ooit om door te gaan als dader?
Dè daad, roept u, maar nee, aan mij geen vader
wat dat betreft ben ik toch meer een zoener.

En bij het water zat ik aan het kader
maar trof het slecht, mijn maat was een lauwloener
en lachte als een echte ha-ha-hader.

Toch werd de prille lente stilaan groener
en vloeide mij de Eden door de ader:
ik waande mij Jan Pieterszoon, maar koener.