Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

gekko

Dit dier is dol op oud papier.
Hij wordt niet vaak gezien
maar af en toe gehoord
in muffe rommelkasten.
 
Geritsel en gesmak:
hij zet zijn leesbril op,
verknaagt een krantenkop
en kauwt de snippers fijn.
 
Hij bouwt op zijn gemak
een nest van paperassen.
 
En soms hoor je hem gapen.
Dit beest wil weinig licht,
hij zet zijn leesbril af
voor lange winterslapen.
 
Dus doe hem een plezier
en laat die dozen dicht.
 
Als niks zijn rust verstoort
dan legt hij heel misschien
een maf gefrommeld ei
en komt er weer een Stapelgekko bij.

 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Speciaal voor de Gedichtenweek



De Nimmermerel


Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’