Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



Het gaat nu komen
Het wordt weer mistig
De wind waait harder
De zon verdwijnt
 
En aan die barre
Verwarmingsgrillen
Van onze zomer
Komt nu een eind
 
Al die benauwdheid…
Zo onontkoombaar…
Het kleeft aan alles…
’t Is klammig vies…
 
’t Is het seizoen der
Bespiegelingen
En zachte kilte
Dat ik verkies
 
Die dorre blaren
Die grijze luchten
Dat alles maakt mij
Vrij blij van zin
 
Dus ga ik steeds naar
Omstandigheden
Weemoedig vrolijk
Het najaar in

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Shakespeare Sonnet 130



De zon schijnt heel wat feller dan haar ogen.
Ze heeft , vrees ik, haar lippen nooit gestift.
Mijn blik wordt naar haar borsten niet gezogen.
Ik raak ook van haar haren niet op drift.

Ik heb haar wangen zelden mooi zien blozen,
Haar nooit gezegd dat zij zo lekker ruikt.
Haar lichaamsgeur is niet bepaald als rozen.
Ik denk dat zij parfum niet eens gebruikt.

Wanneer ze praat, dat lijkt nog niet op zingen,
Vooral niet op mijn lievelingsmuziek.
En als zij loopt, krijg ik geen tintelingen.
Haar gang is boers, niet goddelijk of sjiek.

Maar toch, ze vindt in niemand haar gelijke
Als ik, verliefd, mijn lief zit aan te kijken.

Koop koop koop