De ruitenwissers zwaaien heen en weer
En vegen vlokken tot een kleffe vacht
Het dashboard gloeit een knusse atmosfeer
De stralers keilen kegels in de nacht
Dan staat hij in de troonzaal voor de Heer
’t Was gladder op de weg dan dat hij dacht
Wanneer een lichte dichter is gestorven dan zou je denken: dat is minder zwaar, hij heeft in zoveel mooie taal gezworven, er komt een punt, dan is hij ermee klaar.
En al die grappen die hij heeft verwoord, hoe vaak heeft hij wel niet de spot gedreven met liefde, dood, met een karaktermoord, of zelfs zijn eigen eindsonnet geschreven.
Ook als de ironie het af moet leggen, toch zoekt hij naar een vorm die daarbij past, die weergeeft wat hij daar over kan zeggen al is hij nu dan zelf niet meer vormvast.
Het blijft een lullig puntje aan het leven: de clou is van tevoren al gegeven.