God schiep in den beginne twintig poten aan de slang
Het lijkt wat ruim bemeten maar zo’n beest is aardig lang
Dat aantal bleek noodzakelijk om recht te kunnen staan
En tevens om van 't aardse slijk en modder vrij te gaan

Ook kreeg de slang als enig dier beheersing van de spraak
En wat -ie te vertellen had was af en toe goed raak
Iets minder dan De Jonge of collega Youp van ’t Hek
Toch kwam er slimme taal uit zijn gespleten slangenbek

Maar op een dag toen werd de slang een beetje eigenwijs
Hij smeerde Eef -De Appel- aan in ’t aardse Paradijs
De Heer ontstak in grote toorn, heeft hem de bek gesnoerd
En ook zijn poten afgehakt, dat vond-ie heel beroerd

Sindsdien sleept hij zijn buik door alle aardse gorenis
En van zijn spraak bleef niets dan slechts wat moedeloos gesis

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De grijze valinop

Hoekstra
 
 
Dit ganse leven is één netoglop,
maar buiten mij schijnt niemand het te merken.
Men wandelt langs de beuken en de berken,
men lacht, men schertst, maar niemand valt het op.
 
Iedereen tracht zijn eigen froot te vinden, 
soms heel omzichtig en met taai beleid,
soms honds en in een minimum van tijd,
soms heel alleen, soms aan de hand van vrinden.
 
Maar mensen zijn fitulen op de winden.
Ik zie hun jacht, ik sla hun wegen ga,
ik loop de vlinders in de perken na
en glimlach om de lente in de linden.
 
Ach, geen ontsnapt de grijze valinop.
Aan ’t eind der reis staat hij tussen de bomen.
Hij heeft geen haast, want niemand kan ontkomen,
hij vangt ze allen in zijn sluiers op.
 
Dit ganse leven is één netoglop,
iedereen tracht zijn eigen froot te vinden,
maar mensen zijn fitulen op de winden,
ach, geen ontsnapt de grijze valinop.
 
Ter herinnering aan Han G. Hoekstra 04-09-1906 - 15-04-1988