Dwalen door kamers, gangen en portalen,
De wezens vinden die men is geweest,
Schooljongen, ambtenaar, vrek, dief, bruut, beest,
Engel, dwaas, nietsnut, halfgod. Duizend malen

In andere gestalten leeft de geest.
Hier drinkt mijn drinkebroer uit zijn bokalen,
Daar mint mijn minnaar; door de kamers dwalen,
Maar door die eene kamer toch het meest.

Is het al lente? Tuindeuren staan open,
In 't raamkozijn passer en gradenboog.
Scheef staat de stoel. Is het net weggelopen?
Ik zoek, en in de hoekkast zit het dan,
En spotlacht met een onderzoekend oog.
Kiekeboe, zegt het kind tegen den man.

 
Han G. Hoekstra (Den Haag, 4 september 1906 - Amsterdam, 15 april 1988)
Dit is het titelgedicht van de bundel Panopticum uit 1946
86930 kleiner

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Op een kroet (onvoltooid)



Een knappe kroet te Hilversum
was bijna altijd in zijn hum.
Maar kreeg hij onverwachts een pluim,
dan schreeuwde hij in slechte luim:
“Ik pronk met eigen verenkleed
Dus steek die veer maar

(Speciaal voor Kick van der Veer)