Met zwoele lach en dito blik
Komt zij het bierhuis binnentreden.
Ze gaat zo schaars gekleed, dat ik
Met één oog slechts haar uit kan kleden.

Parmantig hangt ze aan de toog
En, al begint haar haar te grijzen,
Nog trekt zij een wellustig oog;
Je ziet de heren naar haar wijzen.

Nee, aandacht komt zij nooit te kort;
De mannen hangen aan haar lippen.
Zij zouden graag het glaasje port
Zijn waar ze soms van staat te nippen.

Maar altijd, stipt om kwart voor een,
Als `t volk steeds zatter wordt en woester,
Zwaait zij gedag en vliedt zij heen
Als een gehaaste assepoester.

En thuisgekomen trekt zij dan
Haar jas uit en haar restje kleren
En kruipt het bed in naast de man
Die haar niet kan (of wil) begeren.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Daan



De laan der lanen parelt zoute tranen
De bomen huilen zacht op het Voorhout
Couperus is in droef gepeins verzonken
Flaneur heeft net zijn glimlach afgezet

De Scheveningse zee smaakt ietsje zilter
Het Binnenhof is in zichzelf gekeerd
De ooievaars – pardon: de reigers zwijgen
En Haagse Harry vloekt wat binnensmonds

Een stad die rouwt om een verloren dichter
Sonnetten voelen zich een beetje wees
Er is een pen voor eeuwig neergelegd

Natuurlijk zal er veel hetzelfde blijven
Maar nu de dichter Daan er niet meer is
Lijkt alles in Den Haag zo ongerijmd