Met zwoele lach en dito blik
Komt zij het bierhuis binnentreden.
Ze gaat zo schaars gekleed, dat ik
Met één oog slechts haar uit kan kleden.

Parmantig hangt ze aan de toog
En, al begint haar haar te grijzen,
Nog trekt zij een wellustig oog;
Je ziet de heren naar haar wijzen.

Nee, aandacht komt zij nooit te kort;
De mannen hangen aan haar lippen.
Zij zouden graag het glaasje port
Zijn waar ze soms van staat te nippen.

Maar altijd, stipt om kwart voor een,
Als `t volk steeds zatter wordt en woester,
Zwaait zij gedag en vliedt zij heen
Als een gehaaste assepoester.

En thuisgekomen trekt zij dan
Haar jas uit en haar restje kleren
En kruipt het bed in naast de man
Die haar niet kan (of wil) begeren.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Luguber traliewerk



Oh, jee, procrustesbed, nu 'n nieuwe zak
de wasdom van de wijn dient te verbloemen
zie 'k hoe je wankel in de steigers staat
te pronken met je euvel etiket.

Wie komt er tot zo'n vondst—een maniak,
die, vol bravoure indachtig 't dichtersvak,
onsierlijk enjamberen op ziet doemen?

Wellicht is 't akelig zo in te zoomen
op wat men naar gebruik slechts dient te roemen,
maar ook je schema is niet adequaat.

Oh, veertienregelige acrobaat,
vier uitgangen en parkerpen paraat
herschrijf ik je: sonnet, als je het redt.

Als je het redt: oh jee, procrustesbed!