Het vrije vers

Lekker licht

Sedert 2008 hét digitale tijdschrift voor luchtige poëzie, gebonden gedichten & light verse.

Rijmlijm

wo
dec
14
2011

Rijmlijm

  •  Jaap van den Born



Voor de rijmliefhebbers onder ons – en dat zijn er nogal wat op deze site - heeft  Hugo Brandt (Battus)  Corstius een boekje op de markt gebracht met, naar hij claimt, een voorbeeld van alle rijmparen in de Nederlandse poëzie, want, zegt hij: ‘Elk rijm is al eens gebruikt – hou er mee op.”
 Het is een genot te lezen hoe dichters zich door de eeuwen in bochten gewrongen hebben om iets rijmends tot stand te brengen en tot welke vaak kreupele resultaten dit leidde  en de aangedragen voorbeelden zijn dan ook meestal lachwekkend; soms bedoeld (Kees Stip, Drs. P), maar meestal niet.
Voor wie begrip heeft voor de opwinding en razernij die zich van Drs. P meester maakte bij het lezen van Achterberg (“Het geweer stond tegen een boom/ het was een achterlader, nog van mijn oudoom”) is een waarschuwing wel op zijn plaats: dit boek kan leiden tot een hartverzakking en totale geestverwrakking.
Dit rijmpaar akking/akking zul je missen in dit boek en dat is niet het enige.
 Hoewel de auteur in zijn voorwoord zegt dat hij het geschreven heeft ”om alle rijmen op een rij te zetten die ooit in de Nederlandse poëzie gebruikt werden” zijn de omissies niet van de lucht.
Hij heeft van Drs. P wel ‘eup’ opgenomen (“Een gifslang beet mij…in de heup…/Zij is verdwe…nen in… het… kreup…”), maar niet ‘erfst’ (herfst/driewerfst) en ook mis ik in de gauwigheid ‘intig’ (“Een klacht van tafel twintig/ De eigenheimers smaken bintig’- van Ivo de Wijs meen ik) en het befaamde ‘binnenskieuws’ van Kees Torn.
Dat ik zelf ook nog eens op'herfst' gerijmd heb door in een gedicht als ik-figuur een kleuter de tanden uit te slaan en het ventje te dwingen antwoord te geven op de vraag welk feest na sinterklaas komt laat ik dan nog buiten beschouwing.
In het voorwoord doet de schrijver hatelijk tegen mensen die rijm gebruiken in gedichten en ook op de achterflap staan misselijke opmerkingen en wordt gezegd dat de schrijver ten strijde trekt tegen het eindrijm en stelt hij dat eindrijm verboden moet worden.
Het Nederlandse rijm is, zegt hij, gestorven en dit boek is de grafgroet.
En hij besluit zijn gloedvolle betoog met : “Mocht een dichter dit boek gebruiken om een rijmwoord te krijgen, dan lach ik hem uit.”

Nou doen we dat ook niet, daar is Jaap Bakkers rijmwoordenboek voor, dat de schrijver in zijn inleiding ook noemt en wel als het beste rijmwoordenboek ter wereld.
Wat we ook niet doen is aannemen dat de schrijver de waarheid spreekt als hij zijn mening over rijm geeft; wij liegen als dichters ook immers de waarheid? En Hugo Brandt C. doet dit gaarne in proza, daarbij zijn werkelijke mening verstoppend in de tekst, bereikbaar via een sleutel.
Zo herinner ik mij een column van zijn hand, pakweg dertig jaar geleden, waarin hij iemand aan de kaak stelde als zijnde corrupt, minutieus vertellende hoe hij hem omkocht door een bankbiljet tussen de pagina’s 75 en 76 van een boek te leggen en dit hem toe te schuiven.
Probeer dit maar eens in elk willekeurig boek: dit is onmogelijk.
Ook in dit voorwoord is zo’n sleutel verstopt, tot nu toe onopgemerkt door de recensenten.
In de eerste alinea zegt hij: ‘Maar een gedicht waarin de regels aan hun uiteinde op elkaar lijken, zoiets gooi ik direct weg”.
(cursivering van mij).
Om aan het einde op te merken: ‘Ik ben alle Nederlandse poëzie die ik bezit  (cursivering van mij) gaan herlezen en heb elk nieuw aangetroffen rijm genoteerd”.
En dat bezit van weggeworpen rijmende poëzie bestaat volgens het register uit het werk van maar liefst vierhonderdvijftien, vaak nog steeds  rijmende dichters.

Maar de echte sleutel vind je op de achterflap: “..en voert aan de hand van honderden voorbeelden uit de Nederlandse literatuur een vurig pleidooi voor het vrije vers”.
Je voert natuurlijk geen pleidooi voor iets met louter voorbeelden van de tegenpartij: dan voer je een pleidooi tégen iets aan de hand van voorbeelden.
De sleutel is dan ook amper verholen: ‘en voert aan de hand van honderden voorbeelden uit de Nederlandse literatuur een vurig pleidooi voor Het Vrije Vers”.

 

Hugo Brandt Corstius: Rijmlijm, Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam 168 pagina’s