Zwervend langs verborgen wegen
Bij het melkwit licht der maan,
Kwam ik het kokootje tegen
Met zijn wollen wiebuis aan.
 
Het geklapper van zijn oren
Hield de weerwolf uit zijn slaap,
Maar ik vroeg hem onvervroren:
Is je vader nog een aap?
 
En je moeder nog een grote
Grijsgebokte babiaan,
En dool jij door zeven sloten
Met je wollen wiebuis aan?
 
Het kokootje boog gelaten
Zijn met mos begroeide hoofd;
Wie zich op de wind verlaten
Worden door een kool gestoofd,
 
Sprak hij droef, een traan wegpinkend
Uit zijn ooghoek, rood en nat;
Dan verdween hij, zachtjes hinkend,
Langs een kersvers hazenpad.
 
 
Ter nagedachtenis aan Cees Buddingh' 07-08-1918 - 24—11-1985
Uit: Gorgelrijmen, uitg, A.W. Bruna 1953
 
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Driekvariant 4



Niemand kan zich nog vergissen ...
Machinist, als u dit hoort:
zorgt u wel dat 'Driek van Wissen'
keurig in het ritme spoort?