Het reusachtige continent  Noord-Amerika heeft veel voortgebracht, maar weinig versvormen.
Het higgledy-piggledy maakt natuurlijk wel veel goed, maar verder kunnen ze daar eigenlijk enkel pochen op William Cole (1919-2000), die een boekje uitbracht met tweeregelige versjes, Uncoupled couplets, waarin de eerste regel bestaat uit een bekende dichtregel, die in de tweede onderuit gehaald wordt.
Het wordt daar als een innovatieve versvorm beschouwd, dus vooruit dan maar:

Robert Herrick
Whenas in silks my Julia goes,
The outline of her girdle shows.

Robert Herrick
Gather ye rosebuds while you may
But take your little pill each day. 

Thomas Campion
There is a garden in her face;
Her dermatologist has the case. 

Algernon Charles Swinburne

When the hounds of spring are on winter’s traces,
The rich take off for warmer places

Niet echt opzienbarend, wel een aardig idee. Drs. P heeft het in het Nederlands ook volbracht in zijn boekje Antartica, onder de schuilnaam Coos Neetebeem en zich daarbij niets aangetrokken van de tweeregeligheid, wat zeker geen slecht idee was. Zijn Sikkels blinken/ Sikkels klinken/ Ruisend valt het graan/ Als je iemand weg ziet hinken/ Heeft hij ’t heeft fout gedaan is een klassieker geworden.
Bezint eer je hieraan begint, want het duiveltje van de flauwiteit staat hier enthousiast bij te springen.  

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Na 5 ge4de verzen

De geest is niet gestaag actief,
o nee, ze is heel lui bij vlagen,
maar dan opeens wordt zij weer vief
en kent zij welbestede dagen
of nachten soms, die je nog steeds,
al wordt je oud karkas ook sleets,
probleemloos lijkt te kunnen skippen -
goed, rauwe keel en droge lippen,
maar dat komt van de sigaretten,
want roken doe je als een ketter.
Dan blaast een vlaag van inspiratie
je van creatie naar creatie,
al blijkt vrij vaak desanderendaags,
dat jou iets even moois als vaags
beroerd heeft dat de prullenbak
of, is die vol, een plastic zak,
in kan, rechtstreeks: papierverspilling;
je leest het met een lichte rilling
en slaat ontzet je lege handen
inéén en voor je mond vol tanden.

Maar ook gebeurt het, niet eens zelden,
dat je toch wèl iets had te melden.
Je leest het en glimlacht verzaligd,
zoekt of er nóg iets in je la ligt,
dat in de buurt komt van lyriek
en dus de toets van de kritiek
een dag nadien heelhuids doorstaan kan.
Maar nou en of! Je pinkt een traan van
geluk uit roodomrande ogen,
wat héét: je huilt nu, ongelogen,
en roept extatisch uit: "Wat ligt er
een toekomst vóór mij nog, als dichter!"

Dan is het oppassen geblazen
dat je niet straks, na tal van glazen
jenever in je stamcafé -
je vrienden drinken vrolijk mee,
géén vraagt er: wie zal dat betalen? -
haast de WC niet meer kunt halen
waar je zojuist verworven trots
met klodders slijm en gal en kots
afbrokkelt in de afvoerbuis -
en je weer dichter bent bij huis...