Ik word verwelkomd door het woud

En door de bladerdos

Valt zonlicht als gefilterd goud

Zacht op het vochtig mos

Een vogel zingt vol overmoed

Hij brengt mijn ziel een blijde groet

Een vogel zingt

Een vogel zingt

En baadt zich in de zonnegloed

 

Ik word verwelkomd door het woud:

Het hoge bladerdak

Het wenken van het warme hout

Het buigen van een tak

Zij noden mij: ‘Verwijl en rust’

Ik word door droppels dauw gekust

Zij noden mij

Zij noden mij

Ik word door hen in slaap gesust

 

Ik word verwelkomd door het woud

Dat mij een bed bereidt

En voor mijn ogen openvouwt

Wijd ligt het uitgespreid

Hier rust ik uit van dood en doem

Ik sluimer weg met bijgezoem

Hier rust ik uit

Hier rust ik uit

Van Vrijeverzendichtersroem

 

 

Op het forum was dinsdag al een voorbeeld te zien van F. Woortmeyer en hier zie je hoe zo’n ding in elkaar steekt.

Het Trijaans refrein is weer een vinding van Jan Turner en het bestaat uit drie strofen van 9 regels.

De eerste regel van elke strofe is gelijk en om misverstanden te voorkomen luidt dit in de beschrijving aldus: “Regel 1 is gelijk in alle drie de strofen, hoewel een variatie van de vorm er uit bestaat  dezelfde regel niet te herhalen in het begin van  elke strofe. Met andere woorden, het begin van elke strofe kan verschillend zijn”.

Kijk, dat is duidelijke taal, daar houden wij van.

De eerste vier lettergrepen van regel 5 van elke strofe worden herhaald als dubbel refrein in regels 7 en 8.

Het rijmschema is ababccdec

 

Verwarrend is dat eerst gesproken wordt van lettergrepen en daarna van woorden voor de refreinregel.
Ik heb maar lettergrepen aangehouden.

Ook voor het metrum wordt gesproken over lettergrepen, waar uit de voorbeelden blijkt dat jamben  worden gebruikt met uitsluitend mannelijk rijm.

Uitgaande van het aantal jamben is het metrum 4/3/4/3/4/4/2/2/4

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Gerijmel van een ouder iemand

88px W. H. Auden 1956 press photo
Wikimedia Commons
 
 
Gerijmel van een ouder iemand 
                     voor Robert Lederer
 
Aan ’t eind van wat men ‘sixties’ heet
herken ik amper mijn planeet,
de wereld die me geestkracht gaf –
zo hield ik chaos van me af.
 
De gouden tijd naar mijn idee
is al zo’n zestig jaar gelee,
met badkamers riant, royaal
en bidden voor het avondmaal.
 
Het auto- en het vliegverkeer
is efficiënt hoor, maar niks méér;
machinerie waar ik van droom,
die werkt op waterkracht of stoom.
 
De knop moest om: ik ben gezwicht
voor ’t adequaat elektrisch licht,
al koester ik de trappenhuizen
waarin nog vleermuisbranders suizen.
 
Familiespoken uitgedreven
maar niet hun waarden opgegeven:
dat plichtsbesef van protestanten
heeft praktische en mooie kanten.
 
Thuis zong men samen nog van blad,
’t was schande als je schulden had –
contant betaal ik tot mijn dood:
niks op de pof en nooit in ’t rood.
 
’t Vertrouwde kerkboek, goud op snee,
gaat onderhand drie eeuwen mee.
Een frisse preek is goed en wel,
getorn aan liturgie: een hel.
 
Seks was – en zal dat altijd zijn –
het allerlokkendste geheim,
maar de kiosk was toen nog vrij
van blaadjes vol smeerpijperij.
 
Welsprekendheid was kunst; was norm,
gold als beschaafde omgangsvorm.
Een scheet verdraag ik beter dan
vrij vers of zo’n nouveau roman.
 
Ook blijf ik verre van de school
die dweept met mythe en symbool;
wat ik betracht is: literaat zijn
voor lezers die niet van de straat zijn.
 
Als alles mag in elke les,
wie vindt dat onderwijssucces?
Wel wijzer waren de docenten
die mij Latijn en Grieks inprentten.
 
De ‘generatiekloof’ – ocherm,
we doen het maar met deze term –
wiens schuld die is? Van jong én oud
die niet zijn moerstaal onderhoudt.
 
Maar liefde en genegenheid,
die zijn nooit in, of uit de tijd.
’k Heb trouwe vrienden, inderdaad,
met wie ik eet, met wie ik praat.
 
En dan zou ík vervreemd zijn? Kul!
Ik die een nieuwe rol vervul,
nog mijn draai zoek in dit huis,
voel me bij wat echt is thuis.
 
Doggerel by a senior citizen, W.H. Auden (1907-1973)
vertaling: Judy Elfferich
 
Voor de originele tekst, zie bijvoorbeeld hier: