Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

De held van Labbertong VII

Agatha was gewoonweg op hem toegesprongen
Al leek zij vrij onwetend en behoorlijk groen
Toch lagen zij in korte tijd verwoed te tongen
Zou het zijn charme zijn geweest of toch zijn poen?

Ach nee, het waren vast en zeker Remko’s ogen
Twee hemelsblauwe meren, die zij had gespot
Waardoor zij zo onstuimig werd, zo opgetogen
En zich gewillig overgaf aan het genot

Niet lang daarna verloor de kloostermaagd haar eer
En sloeg zij heel devoot haar beide ogen neer
‘O Remko, lieveling, al ben je nog zo’n grote,

Ik heb er over nagedacht maar ik zeg stop
Ik geef het kloosterleven absoluut niet op
Laten we teruggaan naar ons beider groepsgenoten’


wordt vervolgd

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De lente bijt



Wanneer de aarde na haar slaap ontwaakt
met halmen in het gras en nieuwe knoppen
waar lome hommels gonzend honinghoppen,
dan geurt het weiland dat van leven blaakt.

Het nieuwe blad heeft daar een nis gemaakt
waarin ik me voor even kan verstoppen,
ver weg van media en krantenkoppen.
Nog nooit heeft stilte mij zo zoet gesmaakt.

Ik snuif de lucht op, maar het zit niet mee.
De pollenplaag, ik had het kunnen weten.
Al niezend zeg ik het tableau tabee.

En thuis vraag ik: Hoe kon ik het vergeten?
Dáár voor de spiegel staat insectenspray.
Ik krab me suf aan honderd muggenbeten.