Dichters, we lezen ze met droge ogen:
Een Vegter, Nolens, Benders, Oosterhoff.
Waar zijn de tijden van het hartebloed?
De zielepijn, de traan en dat soort werk.
Waar de gezangen van het mededogen?
Verweij, Van Deyssel, Gorter, Kloos of Perk?
De litanieën, waar? Voorbij. Voorgoed.
Een zakdoek vangt vandaag nog enkel stof.

Het bloed werd gruis. De tranen werden glas.
Verlies en stukgaan voelt nu tweedehands.
Het leed werd leed van bordkarton. Te koop.
Deels nog als dagboeksmart. Van droefenis
Kwam grimas , gil en wrede pijn. En masse
Verdoezelt men nu weemoed en gemis.
Per stuk, zoals je wil. Azijn werd stroop.
En Pfeijffer: Dichter nu des Vaderlands.

De dichter, heden, is een zonderling
Die weeklaagt in een martelend gekrijs.
Hij hangt de paljas uit voor zijn publiek
En speelt voor praktiserend psychiater.
Wat blijft: bezetenheid om één, één ding
Terwijl hij lamenteert in het theater.
De wonden die hij likt. En de muziek
Die klinkt bij het aanvaarden van een prijs.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Belofte

Het internet bracht Leika in mijn leven
De Letse was op slag verliefd op mij
Ik zal eerst sparen, schreef ze, wacht nog even
Dan zal ik heerlijk in je armen zweven
Stuur vast een ticket op met geld erbij

Ik zal me haasten, mailde ze toen blij
Daarna ontving ze nog een cheque of zeven
Nu zal ik bijna komen, kraaide zij,
Dat zal al zijn zodra ik schuldenvrij
Zal zijn, daar zal ik elke dag naar streven

Haar ‘zullen’ is funest voor mijn geduld
Ik zal haar eens… ze heeft nu zat ‘gezuld’




Uit: Liefde uit blik, Liverse 2009