Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

In 1998 verscheen Schrijven van gedichten en verhalen (Teleac/NOT, Hilversum 1998) van Cees van der Pluijm, waarin de veranderde toestand duidelijk wordt.
Hierin is geen sprake meer van nonsenspoëzie als apart literair genre, maar is die functie volledig overgenomen door het light verse, dat hier uitsluitend valt onder de vormvaste poëzie. ‘Vormvaste poëzie onderwerpt zich aan poëtische conventies als rijm en metrum. Zij maakt gebruik van vaste vormen als het sonnet en ballade- en rondeelvarianten’.
Daarmee worden verschillende groepen afgesneden die ik eerder noemde, zoals het vrije vers. En de nonsenspoëzie.
Nonsenspoëzie, de voormalige naamgever, wordt helemaal naar de marge te verbannen en valt nu onder vrije poëzie: “nonsenspoëzie verwijst doorgaans naar helemaal niets meer (…) nonsenspoëzie kan brabbeltaal zijn of uit dierengeluiden bestaan of fantastische poëzie zijn, in die zin dat het gedicht louter uit gefantaseerde elementen bestaat”.
Dichters, die bij Van de Reijt nog onder nonsenspoëzie vallen, als Kees Stip en Leo Vroman, horen nu bij de nieuwe verzamelnaam met de strengere voorschriften van het light verse.
Van der Pluijm brengt wel de nuance aan dat de subgenres van de vormvaste poëzie niet streng te scheiden zijn: “sommige serieuze dichters zijn niet wars van humor; veel light verse heeft ook een serieuze of melancholieke ondertoon. (…) Jean Pierre Rawie schrijft zeer ernstige poëzie met de toegankelijkheid en de lichte toon van light verse”.
Jawel, maar dat deed J.C. Bloem ook en die omschrijft niemand zo.
Omdat er toen nog geen vijftigers waren om dat onderscheid te maken. Want in die tussentijd was er ook een waterscheiding opgetreden tussen zeg maar de vijftigerkliek en de vormvaste dichters, inclusief de vormvaste light-versedichters en je hoorde bij het ene of het andere kamp.
En zoals de vijftigerkliek alles wat rijmde light verse ging noemen lijfde het light verse, doordat het steeds meer een overkoepelende term werd, uit onvrede met dat ‘nonsens’, dichters in uit een tijd dat het hele light verse volgens de genoemde definities nog niet bestond.


Onlangs schreef ik een Ballade Royal waarin ik woedend tekeerging, niks ondertoon, tegen het CDA en de PVV die ik met de NSB vergeleek. De lezer telt de jamben, merkt dat die nauwkeurig kloppen en dat ook aan het rijmschema netjes de hand is gehouden en mompelt: ‘Aha; typisch light verse’. Maar wie het naast de Ballade van den katholiek van Anton van Duinkerken legt (waarin die tegen de NSB tekeergaat en zich er nog op kon beroemen als katholiek hier fel tegen te zijn, wat een tijden waren dat!) ziet dat daar precies hetzelfde geldt. En niemand noemt dat light verse.
Er zijn dan ook dichters (Jan Boerstoel om maar iemand te noemen) die het hele onderscheid tussen light verse en vormvaste poëzie niet erkennen en kunstmatig vinden. Dat lijkt me in deze definitie ook te verdedigen.

Het probleem is dat er wéér op twee gedachten werd gehinkt. De term ‘light verse’ werd nu als overkoepelende term gebruikt voor het aparte genre dat eerst als nonsenspoëzie werd betiteld, maar in de definities nog steeds omschreven als louter van toepassing op de plezierdichters, met strenge voorschriften, alsof alles daarbuiten afgekeurd werd.
En ook Drs. P, de nestor van het plezierdicht, ziet dat ruimer.
Hij pleit wel sterk voor het nauwkeurig hanteren van de regels, met uitstekende argumenten, maar dit geldt voor hem voor een groep mensen die dezelfde liefde voor de taal en versvormen bezit en elkaar vindt in die zelfopgelegde regels en het delen van het plezier in hun vakmanschap. De plezierdichters. Maar wie de regels ruimer hanteert en eigenzinnig vasthoudt aan een lossere interpretatie, wordt niet door hem opgejaagd door ingehuurde bekkensnijders, mits natuurlijk andere kwaliteiten het werk toch de moeite waard maken door taalkundige inventiviteit.
Ik noem Jan Kal, die in zijn sonnetten een griezelig zorgeloze houding tegenover klemtonen en rijm aan de dag legt, maar niettemin door de doctorandus lovend wordt toegesproken om zijn inventieve rijmschema’s. Of de dierensonnetten van Patty Scholten, die eigenzinnig  oogrijm hanteert en enjambeert dat het een lust is; daar laat hij zich  knorrig over uit, maar hij herkent het persoonlijke handschrift van haar gedichten en het buitengewoon creatieve taalgebruik, juicht daarover en waardeert haar werk zeer.
Ook Kees Stip wordt door hem als virtuoos bejubeld, hoewel die in zijn serieuze sonnetten dingen doet die hij Achterberg niet vergeeft:

‘Met kantwerkparasollen boven kwieke
gestaltetjes zo frêle en zo fijn
als feeën of als elfenmeisjes zijn:
mijn oudtantes Geertruida en Monique’


In 1982 zouden ze  simpel bij de nonsenspoëzie zijn ingedeeld en niet bij het light verse.
Nú kun je over bepaalde dichters twisten of ze bij light verse ingedeeld moeten worden, al naar gelang je de term als overkoepelend of niet beschouwd. Net zo dubbelzinnig als de term nonsenspoëzie.
Maar hoe dan ook gaat het over definities, niet over dogma’s. Het is ook opvallend hoe de term light verse zo snel vaste voet gekregen heeft. Tóch omdat een Engelse term lekker bekt en een soort onaantastbaar aureool verschaft? En is dat niet vreemd voor een groep die zich zo met de Nederlandse taal bezighoudt; je zou verwachten dat ze een gruwel voor zo’n Fremdkörper zouden hebben.

De dubbele betekenis die de term light verse kreeg is ook merkbaar in de Light scheurkalenders die de laatste tien jaar verschenen: uit de keuze van de samenstellers rijst een veel ruimere opvatting over het begrip op dan uit de genoemde definities.
In 2007 verscheen bij uitgeverij Mouria de bundel Zo klinkt dus weggesmeten geld, met ‘de geestigste gedichten’ uit De Tweede Ronde, het blad dat al sinds 1980 een rubriek Light Verse heeft, voornamelijk de genoemde plezierdichters uit de stal van Drs. P.
Uit het voorwoord van Meindert Burger en Jos Versteegen klinkt iets door van het onbehagen over die term, de samenstellers vermijden hem en gebruiken de veel algemener klinkende woorden ‘humorpoëzie’,‘humorpoëten’, ‘humoristische dichters’ en zowaar duikt de term ‘plezierdichters’ een keer op. Maar de definitie die zij geven van het algemeen klinkende ‘humorpoëzie’ ligt dicht bij die van Vic van de Reijt over de toen nog nieuwe stroming plezierdichters:
“Humorpoëzie veronderstelt in de eerste plaats vakmanschap bij de dichter. Wie zich zet tot het maken van een geestig gedicht, houdt van stevig timmerwerk. De dichter zal zijn uiterste best doen om kraakheldere regels te schrijven (…). Daarvoor zet hij de taal naar zijn hand, bedenkt hij soms verrassende rijmen en voelt hij zich als een vis in het water in beproefde of zelf geïntroduceerde versvormen, zoals het sonnet en het ollekebolleke. Zijn doel is altijd: de taal verkennen en de lezer vermaken.”

Waar zijn de nonsenspoëten van vroeger gebleven die hier niet onder vallen, ondanks die algemene term humorpoëzie?
De dichters die de taal niet verkennen, maar die simpele rechttoerechtaanversjes, niks balladen, met een kloppend metrum schrijven en een eenvoudig rijmschema hanteren? De Jules Deelders? De vrijeverzen-humoristen? En what about hiphop?

De groep humoristische dichters die onder de definitie van Van de Reijt, Burger, Versteegen en Van der Pluijm vallen, vormen de dominante stroming binnen de Nederlandse humoristische poëzie van vandaag. Weinigen beseffen wat een rijkdom dat is.
In de ons omringende landen wordt nergens met zoveel enthousiasme aandacht besteed aan het vakkundig en ambachtelijk hanteren van de verskunst in gevarieerde versvormen.
Duitsland hobbelt ver achteraan met zijn Klappervers, Frankrijk heeft de Oulipo, oké, maar zelfs de Angelsaksische wereld, waar de term vandaan komt laat het lelijk afweten.
Door het grotere taalgebied lijkt het nog wat, maar het valt vies tegen.
Wie Engelstalige websites bezoekt, gewijd aan light verse, struikelt voornamelijk over korte, simpele versjes, maar komt weinig geworstel met versvormen tegen, al zijn er een paar sites van bezielde individualisten en groepjes en die vormen dan ook ware schatkamers.
Wat verstáán ze trouwens in Engeland en Amerika onder light verse? Komt de hier gebruikte definitie zoals die voor plezierdichters wordt gebruikt, wel overeen met de oorspronkelijke Engelse betekenis? Of heb ik gelijk met mijn stelling dat het een overkoepelend begrip is en ook daar helemaal niet exclusief gebruikt wordt voor een groep die zich met strakke oude en nieuwe versvormen bezighoudt?
Laten we dat maar eens onderzoeken en de literatuur er op naslaan, dat zal vast duidelijkheid verschaffen in deze queeste naar het ware light verse.

(wordt vervolgd)

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Relaas van een afvallige

Het kastenstelsel viel me heel erg zwaar
Hoe dikwijls ik wel niet was weergeboren!
Het ene leven was nog amper klaar
Of hup, een nieuwe opdracht was al daar
Een hindoe moet altijd weer zien te scoren

Eens deed ik als brahmaan* iets van me horen
Ik was als sudra zes maal de sigaar
In dertien paria’s ging ik verloren
Kshatriya, twee maal, kon me niet bekoren
Als vijf vaishya’s was ik sjacheraar

De goden zullen mij niet meer gelasten
Als speelbal in hun valse flipperkasten



* Brahmanen (priesters); Kshatriya’s (edelen en soldaten; Vaishya’s (kooplieden); Sudra’s (dienaren); Paria's (onaanraakbaren)