De fraaie landstreek Groene Wei bestaat naast wei uit bos en hei Het was hier altijd wondermooi maar nu is het een pokkenzooi Ik vraag me af wat dit beduidt en zoek het tot de bodem uit
Het luie varken knort verstoord: “Wat moeit een mens zich met ons oord? Mijn leute is het modderbad en als ik zin heb, neem ik dat En vies? Wat dacht je van het bos! Man, ga eens kijken bij die vos”
De sloddervos kruipt uit zijn hol, het ligt er domweg barstensvol: een kippenlijk, een hazenvel, hij is bepaald geen rolmodel “Mijn zicht”, stelt hij, “speelt hier een rol denkt ook mijn goede vriend de mol”
De blinde mol kruipt naderbij en blijkt ook niet van smetten vrij Zijn gangenstelsel ruikt zo vies naar kots en poep en mollenpies “Het vuil”, klaagt hij, “ligt tot de nok Och hielp hij maar, mijn buur de bok”
Reeds blaat de zondebok spontaan: “Ik heb het zeker weer gedaan? Van alles hier krijg ik de schuld maar nou verlies ik mijn geduld! Dus scheer je weg, verklede aap, probeer je fratsen op dat schaap”
Het zwarte schaap is zeer gestrest en blèrt: “Men mijdt mij als de pest maar eist wel dat ik alles kuis Ach wie verdient nou zo’n zwaar kruis?!” Het arme beest lijkt levensmoe dus vraag ik het maar aan de koe
De stomme koe heeft geen repliek (zij houdt niet zo van retoriek) Zij graast en kauwt de hele tijd terwijl zij alles onderschijt Maar net voordat zij verder beent verlegt haar blik zich naar de eend
De vreemde eend kwaakt: “Niets van aan! Ik kom hier zelfs niet eens vandaan Die troep is niet mijn pakkie-an, al vind ik er dus wél iets van Wij zeggen thuis in Eendenhoek: “Voor elk probleem een onderzoek”
“Zo’n onderzoek is gekkigheid maar ach, zo win je weer wat tijd En als men klaagt, zij opgemerkt: “Er wordt echt héél hard aan gewerkt.” Zo houden alle beesten hoop al blijft de zaak op zijn beloop”
De eend weet veel van politiek Zij kwekt en snatert energiek en is daarbij zo welbekwaakt dat men haar tot hun krooneend maakt En alle beesten zijn nu blij daar op het landgoed Groene Wei
Dat geldt dus voor de arme luis de stoeipoes en de pielemuis Voor koele kikker, rijwielpad de wurm die al die boeken vrat de beunhaas en het kuddedier het feestbeest en de kwaaie pier…
… de dolle stier, de kale kip het proefkonijn met hazenlip het raspaard en de bange wezel en zelfs de o zo domme ezel Het werd beaamd door ieder dier: “Meneer, het is geweldig hier!”
Het is nog lang niet proper daar - dat onderzoek is nog niet klaar - maar ach, wat maakt een mens zich druk, de dieren stralen van geluk Wat gaat mij ook hun rotzooi aan? Ik moest maar eens op huis aan gaan
Ze sliep, ik trok wat aan en greep mijn jas Al fietsend dacht ik even om te keren Maar nee, ik kon dat beeld maar niet negeren Van hoe jij op mij wachtte achter glas
De route wist ik met mijn ogen dicht Langs coffeeshops en Engelse toeristen Die straalbezopen in een steegje pisten Omgeven door het rode neonlicht
Ik had precies genoeg contant op zak Al hijgend ging ik alsmaar sneller lopen Ik voelde het verlangen in mijn lijf
De keuze maken lukte met gemak Een wereld van genot ging voor mij open Wat heb ik jou gemist, mijn bamischijf
Je mist die zomerzotheid in je glas De smaak van eindeloze lome dagen Van déjeuners sur l'herbe aan een plas Een levenslichtheid nauw'lijks te verdragen
Je proeft niet meer dat zorgeloos plezier Dat zonnige, dat speelse en dat pure De frisheid van een bruisende rivier De avonturen in de avonduren
Waar zijn die gulle geuren van daarginder? Vakantiewijn smaakt thuis toch stukken minder
Zijn mooiste kenmerk was dat doelbewuste, hij was volledig op zijn kunst gericht. Pas ’s avonds laat liet hij zijn beitel rusten, dan gutste hij het zweet van zijn gezicht.
een oude man bestelt in de boetiek ik heb zijn diepe groeven net bekeken doorrookte stem en magere fysiek hij vraagt of hij er eentje op mag steken
zijn grijze vrouw bekijkt haar telefoon ik heb haar gele vingers waargenomen ze noemt het aantal sloffen per persoon de orders die nog altijd blijven komen
hun grote tassen vol goedkope shag waarmee ze weer naar Spijkenisse keren ik luister naar hun hoesterig gesprek waarna ze mij hun prietpraat gaan serveren
als Nederlanders praat je met elkaar ze bleken amper vijfendertig jaar
Marijke zei: ‘Je moet het leven vieren. Al woon je in een saai appartement, geniet alsof je op vakantie bent door heel je huis met slingers te versieren.’
Voor haar was de kantoortuin ook te grauw, een saai en onaantrekkelijk gebeuren, dus is ze hier de boel wat op gaan fleuren: het lijkt wel een resort in ons gebouw.
Vandaar dat ik het toch eens ga proberen: een flexplek met een handdoek reserveren.
Josien die zeven maanden zwanger was Kwam langzaam naar het podium geschoven Ze hupste daar de cola uit haar glas En even kwam het kind in haar naar boven
We werden jeugdlid tegen wil en dank, toch is bij ons het voetbalvuur ontstoken. Eén teamgenoot is later doorgebroken: hij zat een jaar bij Roda op de bank.
Als puber kwamen wij hier om te roken in de dug-out met meegebrachte drank. Ik kwam daar in die tijd vooral voor Ank want tussen ons was er iets moois ontloken
totdat zij ging studeren in de stad. Er zijn maar weinig jongeren gebleven; de hele voetbalclub lag op z’n gat.
De grasmat kreeg een nieuw uitbundig leven. Tot onze vreugd ging de dug-out niet plat; we hebben hem tot leugenbank verheven.
Dit gedicht is de winnaar van Afbakverswedstrijd 84 met als thema "vergane glorie". Het is geschreven bij de onderstaande foto van organisator en jury Jaap Bakker.
Harde Corendoneis! Wij wijzen bondscoach aan! Dick Advocaat! Curaçao kampioen!
Haal hem terug met zijn Methusalemische Experiëntie! En Anders geen poen!
Corendon, sponsor van de Curaçaose voetbalbond, eiste van de bond dat men Dick Advocaat terug zou nemen als trainer. Dat gebeurde, een bewijs dat geldschieters meer dan een vinger in de pap hebben. De zittende trainer, Fred Rutte, nam vrijwillig ontslag, al lijkt me dat in de voetbalwereld een rekkelijk begrip.
Ik leef graag ruim en comfortabel maar alles lijkt te klein voor mij. Zo werd mijn leven miserabel. Mijn schoenen knellen. Allebei! Het fietshok is te nauw bemeten, ik pas niet op de keldertrap. En altijd moet ik rechtstaand eten, de keuken is gewoon te krap. Mijn mok, daar zit een muizenoor aan. De tuin is ook al ondermaats. Zo kan ik nog wel even doorgaan, helaas is hier te weinig plaats.
Het valt uiteindelijk weer reuze mee De wereld lijkt veel minder op te warmen Dus weg met al die nare weeralarmen Voorlopig gaan we slechts richting de twee
Wel stijgt de zee hooguit zo’n een, twee meter Komt er steeds minder water uit de kraan En gaat de hele Veluwe eraan Want het wordt heel wat hittegolfjes heter
Maar vliegen zal voorlopig nog wel lukken Je stedentripjes, want men moet er uit Het is een kniesoor die de noodklok luidt Totdat je hier zelfs ananas kan plukken
Is er fossiel genoeg om op te stoken Nog veel meer bossen kunnen omgekapt En ook naar adem kan nog wel gehapt Voordat we in ons eigen sop gaan koken
We hebben nog tot eenentwintig honderd Tot Moeder Aarde zegt: ‘Nu ópgedonderd!’
Het wordt een ouder dikwijls bang te moede: een maatschappij vol ruzie en geweld, je wilt zo graag je kinderen behoeden, hen loodsen door moeras en mijnenveld.
Wij doen ons best om zoonlief op te voeden: geen fatbike, hangplek, schuttingtaal, gescheld, hij kent slechts Pokémonverzamelwoede en heeft zich bij de scouting aangemeld.
De jongeling behoeft geen geselroede, zijn kalme aard heeft ons gerustgesteld, hij bouwt zorgvuldig aan zijn spaartegoeden, waar hulp gewenst is, komt hij toegesneld.
Hij helpt bejaarde stumperds met gebreken voor twintig euro bij het oversteken.
een jonge geit uit Stampersgat is gras en struiken meer dan zat hij smacht naar burgers, Franse frietjes en milkshakes met die fijne rietjes zijn ouders balen als een stekker het is haast elke dag geMac‘er
De noordenwind stak op en piepte hees
een tijding die eenvoudig was te duiden:
dat hij de barre poolnacht in kwam luiden.
De sledehonden jankten zacht van vrees,
een schooltje orka's rilde onderzees
en ijlings trok de ijsbeer naar het zuiden.
Wij kropen onder stapels dierenhuiden
en kauwden op gepekeld robbenvlees.
Ik lag nog wat te kleumen en te staren,
te bidden dat ik spoedig werd gered.
Zij likte aan de pegels in mijn haren
en wreef mijn lichaam in met walvisvet.
Toen had ik schoon genoeg van dat besparen
en heb de thermostaat voluit gezet.