Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

charivvarius
Wikimedia Commons
 
Charivarius mag zich niet vermoeien. Toen hij dezer dagen ter verpoozing Gorter’s ‘Mei’, weer eens doorbladerde, viel zijn oog op de volgende regels:
 
‘…Van ijs in zee, een oud gebaard man, die
Stond op, bokaal ter hand, en uit verschie…’
 
Het hier toegepaste systeem vereenvoudigt den zwaren arbeid van het rijmen aanmerkelijk; men heeft niet angstvallig te zoeken naar een woord dat in zijn geheel rijmt; licht vindt men er een waarvan een enkele letter past; de overige laat men weg, en het rijm is klaar. Dit is het rijm-systeem voor rustbehoevenden. Naar deze methode vervaardigd, vloeide hem de volgende Ballade als ’t ware van zelf uit de vulpen:
 
De ridder van Granada
(Vrij naar Schiller)
 
Er leefd’ in overouden tijd
In ’t land van Granada,
Zijn vorst in trouwen dienst gewijd,
Een wakkre ridderkna.
 
De koning had den jonker lief,
En jacht, en sport, en spel
Werd bloot voor ’s gunstelings gerief
Ten Hove ingestel.
 
Zoo werd èn Hof èn landvolk vaak,
Door bode en klokgelui,
Genood tot ’t griezelig kijkvermaak
Rondom den leeuwenkui.
 
Eens op een dag zijn maagd en borst,
En ridders, rij aan rij,
Verzameld bij den ouden vorst,
In ’t lustpark van ’t palei;
 
Rondom den diepen leeuwenkuil,
Die dreigend gaapt benee:
Hier ’t jolig juichen – daar ’t gehuil
Van tijger en van lee.
 
Men oogt ’t gestoei van ’t woest gebroed
Met grage blikken na;
En d’ oude vorst schertst welgemoed:
‘’t Is beter hier, dan da!’
 
De jonge ridder zit naast háár –
De jonkvrouw, trotsch van zin,
Maar ’t schoonste van de maagdenschaar,
En fel van hem bemin.
 
Zij schenkt hem eerst niet veel gehoor;
Hij schijnt wat schuw, wat bleu;
Dan vat hij moed, en als-maar-door,
Ruischt zijn verliefd gekeu.
 
Daar lispt de jonkvrouw aan zijn zij:
‘Mint gij mij waarlijk zoo?
Welnu, mijn vriend, bewijs het mij!’
Dan roept z’ op luiden too:
 
‘Wie uwer mint mij sterk genoeg,
Dat hij uit louter min
Deez’ zijden handschoen, dien ik droeg,
Mij weerbrengt van daargin?’
 
Mèt werpt zij fluks den handschoen af;
Men mompelt: ‘Wee!’ – ‘Wat nu?’ –
– ‘Wie waagt zich in dit levend graf?…’
Het denkbeeld is afschu.
 
Zij ziet haar feilen minnaar aan
Met hoonend killen lach:
Kies – d’ arme heeft den blik verstaan –
Mijn liefd’ – of mijn verach!
 
Daar ziet de schare, stom van schrik,
Vervuld van ’t naadrend wee,
Hoe hij met somber-strakken blik
Zich naar den kuil begee.
 
Snel daalt hij in de diepte neer……
Loopt op de beesten toe……
En – brengt den handschoen veilig weer,
Met gruwbre heldenmoe.
 
Nu groet den Ridder Onversaagd
Een donderend hoera!
Maar hij – hij werpt der snoode maagd
Den handschoen… in ’t gela!
 
‘Aanvaard,’ zoo spreekt hij, ‘slechte vrouw,
Mijn declaratie zóó!
Ik was verliefd op je, maar nou –
Wat mij betreft – val doo!’
 
Vandaag light-verse van dik een eeuw terug en wel van de hand van de taalcriticus die op deze dag 151 jaar geleden het levenslicht zag : Charivarius -
(Gerard Nolst Trenité, 20 juli 1870 - 9 oktober 1946)
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Vae victis

vaevictis
 
Het leek zo doodeenvoudig op die dag
De wereld werd beoordeeld op zijn daden
De mensheid was verdeeld in goed en fout
 
Dus duwden wij met overwinningslach
Het karretje waarop zij is geladen
Een vrachtje dat voorgoed is afgekeurd
 
Een mens, gebonden op het ruwe hout
Bespuwd en nagestaard om haar gedrag
De horde dringt en denkt niet aan genade
 
De foto is er nog, al is 'ie oud
En of je hem nu weggooit of verscheurt
Dit beeld zal voortaan altijd blijven hangen
 
Wat zwart-wit was, is later ingekleurd
En schaamrood worden onze grijze wangen