Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

Een doek! Zei ‘t schaap Veronica, ik ga mijn hoofd verstoppen,
men heeft hier in de schapenwei voor niemand meer ontzag.
De vrome schapen dreigt men straks de sloot over te schoppen,
het is genoeg, de maatschappij wordt gekker met de dag.

De rechters zeggen ook al dat je mag discrimineren,
ik hoor alleen maar onbehouwen ultrarechts geblèr,
in het publiek debat kan men zich alles permitteren.
Vandaag draag ik een hoofddoek en dan ben ik solidèr.

Natuurlijk is je mening vrij, daar zal ik niet om strijden
maar wie iets zegt maakt wel wat uit, en daarom zeg ik: Stop!
Je wil toch dat een ieder zijn religie kan belijden,
het liefst zonder de mening van een witgebleekte pop.

Wel foei, zeiden de dames Groen, dit zijn toch apenstreken,
het is gans onbetamelijk, nee wat je noemt affreus!
De strijd vangt aan, en van dit pad wordt niet meer afgeweken:
de hoofdtooi als symbool van kracht, er is geen and’re keus.

De dominee kwam luisteren en stikte in zijn kaakje
maar na een tijdje denken zei hij “Goed, dan doe ik mee,”
en in de vestibuul nam hij zijn mantel van het haakje,
“in godsdienstaangelegenheden vechten wij voor twee.”

Drie dames met een hoofddoek om, het stond hen best wel goed;
de dominee kwam één pas later met zijn zwarte hoed.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Aporie

De poëzie van peuken op een bord
Van korsten brood, verschimmeld in een hoek
Van stapels oud papier, haast ingestort
Dat is wat ik in dit gedicht niet zoek

Het beeld van noodweer, kletterend maar kort
Van een nog uren klamme spijkerbroek
Van schoenen waar het nooit meer droog in wordt
Dat is wat ik niet schilder op mijn doek

Maar lammetjes, geboren in april
Een rode roos zojuist in volle bloei
De blauwe lucht, een spelend kind, een lied

Dat is toch ook weer de bedoeling niet
U ziet: ik raak behoorlijk in de knoei
Nu ik wel dicht, maar niet veel zeggen wil