Opzij, het blaasensemble komt eraan
Hun woest geloei is al van ver te horen
In strakke linie schrijden ze naar voren
Ze zijn door niets en niemand te verslaan

Geen mens kan nog een zinnig woord verstaan
Ook zij niet, met die doppen op hun oren
Ze laten zich door weer of wind niet storen
Hun echelon zal blazend voorwaarts gaan

Hun instrumenten wervelend paraat
Zo wordt de buurt van bladafval bevrijd
Maar vluchtig is hun smetteloze spoor

Als Sisyphos gaan zij voor altijd door
Eén zuchtje wind - 't is lucht en ledigheid -
Daar dwarrelt al hun werk weer over straat

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Speciaal voor de Gedichtenweek



De Nimmermerel


Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’