Ze zijn in elke gracht en elke sloot
zo’n troep met witte snavels, zwarte lijven.
Wanneer ze op de wallekant verblijven,
dan is er eentje met een manke poot.
Die krijgt van mij een extra stukje brood,
waarna de rest jaloers begint te kijven.
Ik denk wanneer de hele troep gaat drijven:
waar is mijn meerkoet met de manke poot?
Nu wil ik u een ander beeld beschrijven:
gegiechel, blonde lokken, lippenrood;
ze zitten zo gezellig met zijn vijven.
Slechts één is er voor mij geen middenmoot,
van één slechts zal de beeltenis beklijven,
dat is het meisje met de manke poot.