Ik zou de hele discussie over ollekebollekeregels graag eens in een breder verband plaatsen.
Voor mij staat de vraag centraal: hoe hoog wil ik de lat voor mezelf leggen?
Toen ik zelf een paar jaar geleden mijn entree maakte op HVV, was ik tevreden met gedichtjes met een clou. Ik kreeg in die tijd menige veeg uit de pan. Nu ben ik iemand die zich niet graag op zijn kop laat zitten, dus ik verdiepte me degelijk in de verschillende versvormen. Ook ging ik steeds meer schaven aan de kwaliteit van mijn rijm en metrum.
Waar ik voorheen blij was als ik een passend rijmwoord vond of bedacht, probeer ik nu vaak in Jaap Bakkers rijmwoordenboek het mooiste rijmwoord in een bepaalde context te vinden. Ook streef ik ernaar om metrisch mooi te dichten, met hier en daar een antimetrisch uitstapje waar dat functioneel lijkt. Van o.a. Frits heb ik geleerd om niet tevreden te zijn als een gedicht klaar is, maar pas als het af is: als ik ook tevreden ben over de woordkeus in elke regel.
Ik ben er niet op uit om anderen hierin de les te lezen, hoewel ik als rasdocent wel af en toe de neiging voel om tips uit de delen. Anderen hebben mij mijn ontwikkelingsproces gegund, wij dienen nieuwkomers ook hun proces te gunnen.
In dit verband lijkt het me niet wenselijk om de lat voor het 6lg-woord in ollekebollekes lager te leggen. Oefening baart kunst: waar ik het voorheen lastig vond om een 6lg-woord met de klemtoon op de vierde lettergreep te bedenken, zie ik het nu als een uitdaging (hoewel het ob zeker niet mijn favoriete versvorm is).
Zelf vind ik de lobbertang een van de leukste uitdagingen. Ook met deze versvorm heb ik behoorlijk gekampt. In het begin lukte het echt niet. Daarna alleen met gekunstelde anagrammen. Maar zelfs hierin kun je groeien.
Samenvattend: het HVV is een prachtige kweekvijver voor verhoging van ons aller niveau. Kijk daarom vooral kritisch naar je eigen werk en help anderen op weg.
Hartelijke groet,
Wim