|
Welkom,
Gasten
|
|
9e Rubaiyat Ik ben ze nu misschien wat bruin aan ’t bakken; wat maakt het uit, ach laat de gans maar gakken. Al heb ik weinig van mezelf getoond, toch kunt u mij op één ding echt niet pakken. Dus voordat ik door u wordt weggehoond en u mijn cyclus met een nul beloont (in feite is dat cijfer wel terecht, gepiel als dit behoort ook niet bekroond) is één aspect toch eigenlijk niet slecht: ’t Is rijk-rijm-vrij, laat dat eens zijn gezegd, (kijk het maar na, ik doe u niets tekort) in alle honderd acht uitgangen, echt. -- o -- En mocht u het persoonlijk ambiëren ’t complete vers op ~RIJK~ te detecteren, ze staan nu als één Schakelrubaiyat voor uw gemak hieronder saam gevat. -- o -- Schakelrubaiyat Schema: aaba t/m zzaz ’t Is te betwijfelen of het iets wordt: Ik heb me op het Rubaiyat gestort. Die maak je niet van één-twee-hupsakee. Het gaat mij af met stoten en een hort. Al loopt het niet als Doctorandus P. (die schakelt als het nieuws op de T.V. Hij is dan ook de allerhoogste Piet) ‘t is jammer, maar u doet het hier maar mee. Het interesseert me trouwens ook geen biet of u het alleraardigst vindt of niet. Vandaag of morgen ga ik wel weer door. Dit wordt een feuilleton zoals u ziet. Hier ben ik weer. En vind ik al gehoor of gaat mijn Rubaiyat als schroot teloor? Ik snap het wel, er moet nu iets gebeuren, want anders vind ik hier geen luisterend oor. Welaan om het gemoed wat op te fleuren -u denkt wellicht: Kom op en stop met zeuren- vertel ik straks een interessant verhaal, dat bol staat van de geuren en de kleuren. Dus op de stoelpunt zitten, allemaal of achteruit gezakt, da’s mij egaal. In ’t volgend vers doe ik u uit de doeken, hoe of het mij vergaat, in klare taal. U bent me al een weinig aan ’t vervloeken, omdat u denkt: ~Hij kruipt in verre hoeken, waar wil die snaak in hemelsnaam naartoe.~ Hoe het ook zij, ik wil om rust verzoeken. Ik zie het, u wordt al een beetje moe. Nou ja, het is ook wel een heel gedoe, voor ik aan een verhaal ben toegekomen, dat eindigt met een redelijke clou. Ik heb u echt niet bij de neus genomen, in ’t volgend rubaiyatje ga ik bomen, hoe ik zo’n beetje in elkander steek. Bekentenissen zullen tot u stromen! Ik woon hier in een zwaar vervuilde streek, zo’n 9.000 vluchten, ja per week. De lucht wordt hier vergiftigd door octaan; juist Schiphol dat is waar ik over spreek. Mijn woning staat schuin voor de Aalsmeerbaan, uit huis kan ik de Jumbo’s gadeslaan, u voelt waarschijnlijk al wat dat beduidt: Mijn rust vliegt regelmatig naar de maan. Want mensen nog aan toe het is een kluit aan decibels dat uit zo’n Boeing spuit. Daar kan niet ene beat band tegenop; het buldert, dondert, jankt en giert en fluit! Wellicht denkt u: Dat is een flinke strop met altijd dat gedender aan je kop. Maar ik laat door die herrie echt geen traan en denk alleen maar: Toe draai om die knop. Al deugt er van de lucht geen ene spaan, de vogels blijven hier toch niet vandaan; de tuin is altijd vol gekwinkeleer, met buiten kijf, de lijster als sopraan. De mussen steeds bedrijvig in de weer, ook mezen, merels, vinken en zo meer, de specht die zelfs niet aan de rij ontbreekt; ja zijn bezoek beschouw ik als een eer. Het is niet iets waar je graag over spreekt, hoe of je thuis de aardappelen kweekt. Geen hond heeft er een bliksem mee te maken, hoe in ons huis de passie wordt gepreekt. Wellicht is uw pak van hetzelfde laken en ook uw bier zal niet veel anders smaken dan hier, daar ben ik bijna zeker van, vandaar krijg ik geen schaamrood op de kaken. Een woord een woord zoals een man een man -ik houd me vanaf nu echt aan het plan- ‘d ontboezemingen komen er zo aan. Blijf nog maar even zitten, als het kan. Gods woord klinkt halverwege onze laan; als Schiphol stil is, kun je ’t haast verstaan. Het galmend zingen is zeer wel te horen; geen noodzaak ‘s zondags naar de kerk te gaan. Ik kom het bed uit ver na ‘t ochtendgloren en zit de dag door, lekker ongeschoren -slechts in mijn sleetse ochtendjas gekleed- wat weg te dromen, in een boek verloren. En als ie dwars zit laat ik ook een wind -dan is die druk tenminste van mijn bips- wanneer mijn vrouw de kamer heeft verlaten. Zo lijkt het of ik van de prins niets weet. U krijgt het nu vast aardig in de gaten: Ik houd van rust en dat in ruime mate, visite daar heb ik een broer aan dood; het liefste zit ik met mezelf te praten. Want drukte slaat me altijd uit het lood; het is dat slap geklets wat mij begroot, dat steeds ontstaat met mensen bij elkaar: Heel veel gelul maar niemand geeft zich bloot. Ook vind ik het een levensgroot bezwaar -voor het begint ben ik er al mee klaar- dat ouwehoeren over ongemakken. Is het geen herpes, dan is het wel staar. Ik ben ze nu misschien wat bruin aan ’t bakken; wat maakt het uit, ach laat de gans maar gakken. Al heb ik weinig van mezelf getoond, toch kunt u mij op één ding echt niet pakken. Dus voordat ik door u wordt weggehoond en u mijn cyclus met een nul beloont (in feite is dat cijfer wel terecht, gepiel als dit behoort ook niet bekroond) is één aspect toch eigenlijk niet slecht: ’t Is rijk-rijm-vrij, laat dat eens zijn gezegd, (kijk het maar na, ik doe u niets tekort) in alle honderd acht uitgangen, echt. Adriaan van Dam 14-2-2015 |
|
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.
|
