|
Welkom,
Gasten
|
|
Van winter naar lente De tulpenboom voelt drang om uit te botten, verdwenen is haar matte winterkleur. Ik zie al merels in een plas ravotten en ruik zelfs af en toe een lentegeur. De treurwilg is gestopt met treurig wezen, zijn slierten kleuren heel voorzichtig groen en rond zijn takken buitelen de mezen, zoals ze dat alleen in ’t voorjaar doen. De Kerria barst van de gele knoppen, de Prunus bloost zacht roze in haar kleed. De vlinders kruipen eerdaags uit hun poppen, geleden is weer alle winterleed. En ik pak zo mijn rijwiel uit de schuur en ga een stukje om in Gods natuur. Adriaan van Dam |
|
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.
|

Ik hecht, geloof ik, niet aan vent of vorm.
Ik heb belijdenissen aangehoord
en was getuige van karaktermoord.
Hoe zinvol is een letterbeeldenstorm?
Ik ben gebeiteld uit een lijf van steen
en toch geborgen in de gulden snede.
Mijn regels zijn uit hogerhand gegleden,
ik ben de zin van alles en van geen.
Model! Leg mij geen woorden in de mond.
Ik kan mijzelf niet uit uw greep bevrijden,
al lekt er inkt uit een gesloten wond.
Verwacht van mij geen antwoorden op vragen.
Ik kan, in zwarte letters stukgeslagen,
niets dan dit ketterse geloof belijden.
(uit Het zal de leeftijd zijn )